Geen dwangarbeid, zetje is genoeg

Mensen in de bijstand moeten vanaf 1 januari een tegenprestatie leveren. Maar wat blijkt? Ze mogen zelf klusjes verzinnen en niet alle gemeenten doen mee.

Vrijwilligster Heiny den Duijn helpt drie dagen in de week in verpleeghuis Breezicht in IJmuiden. Dat blijft ze doen, maar na 1 januari geldt het als haar ‘tegenprestatie voor de bijstand’. Foto Olivier Middendorp

Vanuit haar flat kan Heiny den Duijn (64) binnendoor naar verpleeghuis Breezicht lopen. Toch was het nooit in haar opgekomen dat ze in dat tehuis, vlakbij de sluizen van IJmuiden, vrijwilliger kon worden. Een ambtenaar kwam met dat idee – sinds anderhalf jaar experimenteert de gemeente met de ‘tegenprestatie in de bijstand’ en Heiny den Duijn doet mee. Nu nog vrijwillig, vanaf 1 januari 2015 geldt een wettelijke verplichting.

Twaalf jaar geleden verloor ze haar baan als hoofdcaissière in een supermarkt. Nu schenkt ze drie dagen in de week glaasjes water in, ze snijdt het vlees op de borden als bewoners dat zelf niet kunnen, zit ze aan tafel om met hen te praten. „Ik heb een fijn gevoel als ik thuis kom”, zegt ze. „Je wilt toch iets nuttigs doen in je leven.”

En als het móet? „Dan heb ik er ook geen bezwaar tegen. Je mag wel iets terugdoen je geld.”

Dwingende ‘activering’

Dat was ook het idee van het kabinet: voor wat hoort wat. Vooral van coalitiepartij VVD is het ook de bedoeling dat de dwingende ‘activering’ bijstandsgerechtigden aan werk helpt.

Van alle maatregelen die vanaf volgend jaar de bijstand strenger en goedkoper moeten maken, werd de tegenprestatie hét symbool van de nieuwe hardheid. „De tijd van achteroverleunen is voorbij”, schreef Tweede Kamerlid Sjoerd Potters (VVD) begin dit jaar op de website van zijn partij.

Maar dat valt mee. Uit een onderzoek van Divosa, de vereniging van managers van sociale diensten, blijkt dat verreweg de meeste gemeenten niet van plan zijn om het hun bijstandsgerechtigden heel moeilijk te maken met de tegenprestatie. Zo’n 80 procent laat werklozen zelf iets bedenken dat in de wet past: het moet maatschappelijk nut hebben en geen echt werk verdringen. En 90 procent van de gemeenten laat bijstandsgerechtigden helemaal met rust als ze zorgen voor hulpbehoevende familieleden of nu al vrijwilligerswerk doen.

„Ik vind dat mooi”, zegt René Paas, voorzitter van Divosa. „Het was een erg omstreden wet, die allerlei schrikbeelden opriep. Nu blijkt dat gemeenten het constructief gebruiken. Als zetje in de rug. Het is géén dwangarbeid, maar het verplicht wel tot iets, waarbij gemeenten uitgaan van iemands persoonlijke belangstelling.”

In de wet staat niet hoeveel uur per week een bijstandsgerechtigde aan de slag moet. Het college van Den Haag vindt maximaal acht uur per week „redelijk” en niet meer dan 100 uur in een jaar. Dat ook Den Haag werklozen zelf met ideeën laat komen, heeft te maken met geld: als ambtenaren voorstellen moeten bedenken, is het duurder. Den Haag denkt ook dat een eigen voorstel meer kans van slagen heeft.

Er zijn ook gemeenten die de wet héél precies hebben gelezen: er staat in dat ze beleid moeten bedenken voor zo’n tegenprestatie. Dus wat doet bijvoorbeeld Amsterdam? Daar is het beleid nu dat de tegenprestatie vrijwillig is.

„Wat ons betreft gaat het zonder dwang of drang”, zegt SP-wethouder Arjan Vliegenthart. „Ik zie er niks in om met onwillige honden hazen te vangen. Als ik iemand naar een voetbalkantine stuur die daar geen zin in heeft, moet ik een inspecteur meesturen. Daar hebben wij de capaciteit niet voor en ik wil die er ook niet voor vrijmaken. Dat kost miljoenen.”

Gaat dat niet in tegen de geest en het doel van de wet? Vliegenthart: „Wij zoeken nadrukkelijk de randen op van deze wet. Voor de SP was dit al een punt in de collegeonderhandelingen, wij wilden die dwang niet.”

Ook in Schagen wordt niemand verplicht tot een tegenprestatie. „Anders werkt het van twee kanten niet”, zegt PvdA-wethouder Ben Blonk. „Organisaties worden opgescheept met iemand die er geen zin in heeft.”

Schagen (college van PvdA-, CDA- en VVD-wethouders) vindt dat „persoonlijke ontwikkeling” voorop moet staan: „Doel is dat mensen iets leren: contact maken met anderen, uit hun comfortzone komen.”

In Helmond worden via het project ‘Talent Verplicht!’ vooral klusjes gezocht voor jonge werklozen. „De bedoeling is dat ze ontdekken waar hun talent ligt”, zegt VVD-wethouder Yvonne van Mierlo, „en daardoor dichter bij werk komen.” In de meeste andere gemeenten is de tegenprestatie bedoeld voor mensen die weinig kans hebben op echt werk – voor de anderen zijn er reïntegratieprojecten.

Reïntegratietraject

Ali Al-Hussein (46), twintig jaar geleden gevlucht uit Irak, deed zijn tegenprestatie als tolk bij VluchtelingenWerk in Velsen. De organisatie was tevreden, de gemeente, hijzelf. Hussein is er nog steeds vrijwilliger. „Ik wil niets liever dan mensen helpen”, zegt hij. In Irak was hij docent, in Nederland werkte hij korte tijd als taxichauffeur, maar hij kreeg rugproblemen.

Na de tegenprestatie kwam hij in een reïntegratietraject, raakte in de problemen met een ambtenaar van die andere dienst, omdat hij (mét bericht vooraf) op een shi’itische rouwdag niet kwam opdagen – er dreigt nu een eenmalige korting op zijn bijstand van 200 euro.

Hussein vertelt zijn verhaal met ambtenaar Paul Roele erbij, die voor hem de vrijwillige tegenprestatie regelde. Roele is voorzichtig en vriendelijk, hij zegt dat hij niet gelooft in dwang. Velsen krijgt vanaf 1 januari een verplichte tegenprestatie, maar Roele wil de deelnemers blijven „overtuigen en motiveren”.

In Rotterdam bestaat de tegenprestatie al jaren, onder andere namen. Uit nog niet gepubliceerd onderzoek van ‘lectoraat dynamiek van de stad’ blijkt dat deelnemers weinig moeten hebben van dwang. „Het is voor mensen heel belangrijk dat ambtenaren uitnodigend zijn en meedenken”, zegt onderzoeker Josien Hofs. Al is het ook niet zo dat de verplichting mensen per se ongelukkig maakt. „Veel mensen vinden het toch fijn om iets te doen.”