De heilige Tempelberg als inzet van 85 jaar geweld in Jeruzalem

Arabieren beschuldigen Joden ervan dat ze de berg willen overnemen

Ultraorthodoxe Joden rouwen bij de synagoge in Jeruzalem waar gistermorgen de dodelijke aanslag werd gepleegd. Foto AFP

Kom niet aan een van onze heiligste plaatsen, dachten de Arabieren van Jeruzalem in 1929. Beschuldigingen dat de Joden de Tempelberg wilden overnemen, de twee heilige moskeeën wilden vernietigen en er een tempel wilden herbouwen, leidden tot een grootschalig bloedbad. In een week tijd werden 133 Joden vermoord, onder wie 66 ultraorthodoxe leerlingen op een religieuze school in Hebron.

De tijden herleven: opnieuw plegen Arabieren aanslagen op Joden met als inzet de Tempelberg, Haram al-Sharif in het Arabisch. In de afgelopen drie weken kostte dit tien Joden het leven. Gisteren vonden vier gelovigen en een agent de dood bij een aanval op een synagoge in West-Jeruzalem.

Stoelen bij de Klaagmuur

Ten opzichte van 85 jaar geleden is er natuurlijk ook het nodige veranderd. Destijds waren de Arabieren veruit de grootste groep in het Britse mandaatgebied Palestina, dat bestond uit het hedendaagse Israël plus de Palestijnse gebieden. Maar ze zagen jaar in, jaar uit hoe de immigratie van Joden toenam. De aanslagen drukten uit dat ze zich bedreigd voelden in hun meerderheidspositie.

In de jaren twintig leidde zelfs het meebrengen van stoelen voor oudere Joden naar de Klaagmuur, onder aan de Tempelberg, al tot bloedvergieten, zegt Ahron Bregman, een Israëlische politicoloog van King’s College in Londen die diverse boeken schreef over het Arabisch-Israëlische conflict. „Daarom deden de Britten alles wat ze konden om de status quo te behouden.”

Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid. De Joden hebben hun eigen staat, de Palestijnen wonen in door Israël bezet gebied. De aanslagen van nu zijn meer te verklaren vanuit de positie van de underdog die wanhoopt over zijn uitzichtloze situatie.

Wat hetzelfde is gebleven, is dat er alleen moslims mogen bidden op de Tempelberg. Toen Israël in 1967 Oost-Jeruzalem veroverde, droeg toenmalig minister Moshe Dayan (Defensie) het beheer van de berg over aan een Jordaanse stichting. En ook nu wordt de term ‘status quo’ veelvuldig gebruikt. De Israëlische premier Netanyahu herhaalt bijna dagelijks dat daar niet aan wordt getornd.

Nadat de Joden aan het begin van onze jaartelling in diaspora waren geraakt, woonden er eeuwenlang nauwelijks Joden in historisch Palestina. Dat veranderde vanaf 1880, toen het zionisme op gang kwam. Deze seculiere beweging had als uitgangspunt dat er een thuisland voor Joden moest komen op de plaats van de oude koninkrijken Israël en Judea.

Dit betekende niet dat ze veel belang hechtten aan de Tempelberg, zegt politicoloog Bregman. ,,Ze haatten Jeruzalem. Het was er vuil en er waren veel bedelaars op straat. Ze zagen als hoofdstad meer in Haifa, dat zo mooi uitkijkt over de zee.” Bij het uitroepen van de staat Israël, in 1948, was dat sentiment veranderd: Jeruzalem werd de hoofdstad en er kwam een religieuze heropleving, waardoor de Tempelberg aan belang toenam. Dat leidde tot tegenreacties.

Tweede Intifada

Dat bleek onder meer in 2000, toen een bezoek van de latere premier Sharon aan de Tempelberg het laatste zetje gaf tot de Tweede Intifada. De Palestijnen, aldus Bregman, hebben goede redenen de Israëliërs te wantrouwen. „Ze protesteren niet als gewone Israëliërs de Tempelberg betreden om rond te kijken. Maar de berg wordt ook bezocht door politici en bekende rechtse figuren die allerlei provocatieve uitspraken doen. Dat vergroot dat de Arabische angst dat de Israëliërs de berg willen overnemen.”

Officieel is het voor Joden verboden de Tempelberg te betreden, vanwege het heilige karakter. Maar steeds meer mensen nemen daar geen genoegen meer mee. Het is cruciaal, zegt Bregman, dat de Israëlische autoriteiten erin slagen de status quo te handhaven. „Anders zou het conflict, dat nu nog vooral territoriaal van aard is, kunnen uitmonden in een religieuze oorlog.”