Bryan Ferry: stroef en uitgebeten

Bryan Ferry, gisteren in de Heineken Music Hall. Foto Hollandse Hoogte

Op de dag dat zijn nieuwe solo-cd Avonmore verscheen, trad Bryan Ferry op in de Heineken Music Hall met voornamelijk nummers van zijn oude band Roxy Music – populair in de jaren 70. Maar Ferry (67) liet horen dat hij ook nu nog oplet: zijn nieuwe liedjes, zoals het gister gespeelde Loop De Li en Driving Me Wild, hebben een mooi kabbelend geluid met vervagende instrumentaties, alsof de partijen gedeeltelijk zijn uitgegomd, nu en dan onderbroken door een elektronische beat of maf geluidseffect.

Ferry werd begeleid door een band van drie achtergrondzangeressen en zes muzikanten, van wie vooral saxofoniste/keyboardspeelster Jorja Chalmers uitblonk op verschillende blaasinstrumenten. De zanger, met kuif en licht afwezige blik, bewoog nog altijd elegant over het podium, van zijn microfoon vooraan naar het keyboard rechtsachter. Een zorgelijk element was echter Ferry’s zang. De uitzonderlijke stem met het hoge tremolo en croonende timbre, die de afgelopen decennia zo effectief Ferry’s dandy-imago accentueerde, is bij momenten niet zalvend maar uitgebeten. Bij een Leonard Cohen of Bob Dylan kunnen slijtplekken bijdragen aan een doorleefd geluid, maar Ferry past het niet. Dat bleek vooral bij de stroef klinkende versie van Dylans Don’t Think Twice.

De exuberante Roxy-liedjes klonken beter. In Love is the Drug, Re-Make/Re-Model, Virginia Plain en Casanova was het mogelijk te denken dat Ferry de stembuigingen van destijds nog haalde. Deels door steun van zijn achtergrondzangeressen en het feit dat Ferry zelf een sjaal omdeed om zijn stembanden te warmen kon het geheel nog stuwend klinken. Het publiek in de uitverkochte zaal kwam dan uit de stoelen omhoog en drong samen bij het podium.