Bijzonder heiligenleven

John May is zo’n held die je al uit talloze films denk te kennen. Ambtenaar in raamloos kantoortje. Leeft steeds dezelfde dag in hetzelfde pak. Lievelingskleur grijs, rangschikt zijn avondeten geometrisch. Iets of iemand gaat straks toch zeker kleur en warmte in dit dorre leven brengen? Tenzij het arthouse is natuurlijk, dan gaat dit anderhalf uur zo door.

Dus zucht je diep en gaat ervoor zitten, en dan blijkt Still Life gaandeweg veel meer te bieden dan titel en synopsis doen vermoeden. Eddie Marsan, een bijrolacteur met een bol, wat eng gelaat dat u uit talloze films kent, grijpt deze zeldzame hoofdrol aan om een bijzonder heiligenleven neer te zetten.

Ambtenaar John May zoekt in het Londense district Kennington nabestaanden van eenzame doden. Lukt dat niet, dan regelt May hun begrafenis en plakt hun foto liefdevol in zijn plakboek. Tot zijn chef hem wegbezuinigt. May werkt te traag, te grondig, te plechtig, wie schiet daar iets mee op? De doden zijn dood, begrafenissen zijn voor de levenden. May mag nog één lijk afwerken: Billy Stoke, een oude zuiplap die wekenlang in zijn hol lag te stinken. Althans: zo zou de chef dat zeggen. Niet May, die zo diep en oprecht met zijn doden meevoelt dat hij eigenlijk al één van hen is. In deze laatste speurtocht leren we hem én Billy Stoke kennen. Wat Still Life tot een verrassend melancholieke, discrete ode aan het leven maakt: een fraai kleinood.