Als ze de status quo maar weten te houden...

Opnieuw plegen Arabieren aanslagen op Joden met als inzet de Tempelberg. Joden mogen er niet komen. Aan deze ‘status quo’ mag niet worden getoornd, anders dreigt een religieuze oorlog.

Israëlische militairen bij de Tempelberg, die zowel door Joden als moslims als heilig wordt beschouwd. Foto Reuters

Kom niet aan een van onze heiligste plaatsen, dachten de Arabieren van Jeruzalem in 1929. Beschuldigingen dat de Joden de Tempelberg wilden overnemen, de twee heilige moskeeën wilden vernietigen en er een tempel wilden herbouwen, leidden tot een grootschalig bloedbad. In een week tijd werden er 133 Joden vermoord.

De tijden herleven: opnieuw plegen Arabieren aanslagen op Joden met als inzet de Tempelberg. In de afgelopen drie weken kostte dit aan tien Joden het leven. Gisteren vonden vier gelovigen de dood bij een aanval op een synagoge in West-Jeruzalem.

De rollen zijn omgedraaid

Ten opzichte van 85 jaar geleden is er natuurlijk ook het nodige veranderd. Destijds waren de Arabieren veruit de grootste groep in het Britse mandaatgebied Palestina, dat bestond uit het hedendaagse Israël plus de Palestijnse gebieden. Maar ze zagen jaar in, jaar uit hoe de immigratie van Joden toenam. De aanslagen drukten uit dat ze zich bedreigd voelden in hun meerderheidspositie.

In de jaren twintig leidde zelfs het meebrengen van stoelen voor oudere Joden naar de Klaagmuur onder aan de Tempelberg al tot bloedvergieten, zegt Ahron Bregman, een Israëlische politicoloog van King’s College in Londen die diverse boeken schreef over het Arabisch-Israëlische conflict. „Daarom deden de Britten alles wat ze konden om de status quo te behouden.”

Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid. De Joden hebben hun eigen staat, de Palestijnen wonen in door Israël bezet gebied. De aanslagen van nu zijn meer te verklaren vanuit de positie van de underdog die wanhoopt over zijn uitzichtloze situatie.

Wat hetzelfde is gebleven, is dat er alleen moslims mogen bidden op de Tempelberg. Toen Israël in 1967 Oost-Jeruzalem veroverde, droeg toenmalig minister Dayan (Defensie) het beheer van de berg over aan een Jordaanse stichting. En ook nu wordt de term ‘status quo’ weer veelvuldig gebruikt. De Israëlische premier Netanyahu herhaalt bijna dagelijks dat daar niet aan wordt getornd.

De Tempelberg wordt zowel door Joden als moslims als heilig beschouwd. Volgens de Bijbel zou hier van 1.000 tot 586 voor Christus een eerste joodse tempel hebben gestaan; wetenschappers verschillen hierover van mening.

Joden mogen er niet komen

Over de tweede tempel bestaat minder onenigheid: die werd gebouwd in 515 voor Christus. Zes eeuwen later, in 70 na Christus, werd hij verwoest door de Romeinen. Alleen de westelijke muur bleef overeind. Nog altijd beklagen Joden zich bij deze Klaagmuur over die gebeurtenissen. Weer zes eeuwen later, eind zevende eeuw, bouwden aanhangers van een jong geloof, de islam, op de Tempelberg de Rotskoepel en de al-Aqsa-moskee.

Nadat de Joden aan het begin van onze jaartelling in diaspora waren geraakt, woonden er eeuwenlang nauwelijks Joden in historisch Palestina. Dat veranderde vanaf 1880, toen de zionistische beweging op gang kwam. Deze seculiere beweging had als uitgangspunt dat er een thuisland voor Joden moest komen op de plaats van de oude koninkrijken Israël en Judea.

Dit betekende niet dat ze veel belang hechtten aan de Tempelberg, zegt politicoloog Bregman. „Ze haatten Jeruzalem. Het was er vuil en er waren veel bedelaars op straat.” Bij het uitroepen van de staat Israël, in 1948, was dat sentiment veranderd: Jeruzalem werd de hoofdstad en de Tempelberg nam aan belang toe.

Officieel is het voor Joden nog steeds verboden om de Tempelberg te betreden, vanwege het heilige karakter. Steeds meer mensen nemen daar echter geen genoegen meer mee. Het is cruciaal, zegt Bregman, dat de Israëlische autoriteiten erin slagen om de status quo te handhaven. „Anders zou het conflict, dat nu nog vooral territoriaal van aard is, kunnen uitmonden in een religieuze oorlog.”