Alles moet anders in de zorg. Maar hoe dan? 

Vanaf 1 januari veranderen de zorgtaken voor jeugdzorg. Gemeentes krijgen meer verantwoordelijkheid. In Utrecht experimenteren ze er al mee. Een bedenker en uitvoerder van het beleid vertellen hoe dat gaat.

Illustratie Aart-Jan Venema

Een bedenker van de plannen: Karin Geschiere (45), manager organisatieontwikkeling Lokalis, verantwoordelijk voor de teams Jeugd & Gezin in de buurtteams van Utrecht

„Een gezin, één plan, één hulpverlener. Dat is het uitgangspunt van ons nieuwe programma. Te vaak zag je in het verleden dat in een gezin met problemen soms vijftien verschillende hulpverleners rondliepen. De een hielp met financiën, de ander met verslavingszorg, de derde met opvoedproblemen. Iedereen had zijn eigen specialisme, met als gevolg dat er veel langs elkaar heen werd gewerkt. Daar willen we vanaf.

„In de buurtteams draait het niet om specialisten, maar om generalisten. Iedere medewerker krijgt een ‘eigen’ gezin toegewezen. Dat vergroot de vertrouwensband. Vervolgens wordt samen met het gezin gekeken wat ervoor nodig is om de problemen op te lossen, of liever: te voorkomen. Door de setting informeel te houden en het hele gezin – en eventueel familieleden, vrienden, buren – erbij te betrekken willen we zoveel mogelijk preventief werken, in plaats van probleemoplossend. Hebben ouders opvoedproblemen? Heeft een kind zich in de schulden gewerkt? Dan kijken we samen wat er gedaan kan worden. Als er alsnog aanvullende, specialistische hulp nodig is, dan verwijzen wij ze natuurlijk door.

„We houden de organisatie binnen de buurtteams expres zo ‘plat’ mogelijk. Er is geen hiërarchie. Ook in de band met jongeren en hun ouders willen we zoveel mogelijk gelijkwaardigheid. Dus niet óver de cliënt praten, maar mét de cliënt. En niet ongevraagd hulp bieden, maar luisteren naar de vragen die je krijgt en daarop reageren.

„Om de lijntjes tussen buurt en buurtteam zo kort mogelijk te houden hebben we in elke wijk een ‘voordeur’. Een plek in een buurthuis bijvoorbeeld, waar mensen dagelijks kunnen binnenlopen met vragen. Over opvoeden en opgroeien, maar ook over sociale zaken, zoals geld, werk, zorg.”

„Sommige werknemers hadden in het begin hun twijfels. Maar ook zij zijn nu over het algemeen tevreden.”

Hij werkt in het nieuwe programma: Peter Goudriaan (33), gezinswerker in Overvecht, een wijk in Utrecht

„Een pionier – zo voel ik me. Ik ben al jaren jongerenwerker, maar richtte me altijd specifiek op de oudere jongere. Zestien-plus. In het buurtteam heb ik opeens een breder takenpakket: het gehele gezin en hun netwerk. Dat we van specialisten in generalisten zijn veranderd is leuk, maar je hebt in het begin allerlei vragen. We hebben wel bijscholingscursussen en boekjes gekregen, een hele papierwerkbom, maar uiteindelijk leer je toch veel meer vanuit de praktijk.”

„De jongeren zitten bij alle gesprekken aan tafel en houden zelf de regie in handen. Dat is soms best wennen. Als een kind problemen heeft op school zou je dat vroeger even met de schoolleiding hebben doorgesproken, maar nu moet de leerling zelf ook aanwezig zijn. Tja, dan duurt het langer om agenda’s te trekken. Wat betreft het gebrek aan hiërarchie in het team: het is heel prettig dat we niet in een strak organisatorisch keurslijf zitten, maar je moet elkaar wel scherp houden. En onze vergaderingen verlopen daardoor soms wat hectisch.

„Vroeger had ik altijd de neiging om jongeren met wie ik werkte te vertellen op welke gebieden ze volgens mij wel wat ondersteuning konden gebruiken. Dat mag niet meer, de hulpvraag moet vanuit de jongere komen. Soms merk ik dat ik mijn mond toch voorbijpraat, dan moet ik mezelf op de vingers tikken: oh shit, beter luisteren Peter, niet te veel voor de cliënt denken. Maar ja, ik ben ook maar een mens. Het kost tijd om oude gewoontes af te leren.

„Er staat nergens op papier hoeveel uur je aan een gezin mag besteden, of wanneer het traject afgelopen moet zijn, dat is prettig. Daardoor ga je kritischer denken: voeg ik nog wat toe? De insteek is jezelf zo snel mogelijk overbodig te maken. Of die vrijheid blijft, vraag ik me af. Er komt toch een jaarlijks geldpotje, en als je dat deelt door het aantal gezinnen wordt het weer een rekensom: een bepaald bedrag, en dus een bepaalde hoeveelheid tijd per gezin. Hoe dan ook wordt 1 januari 2015 spannend. Ik heb ’m omcirkeld in mijn agenda.”