10-jarigen laten zombies vliegen

Sinds september krijgen Engelse scholieren vanaf hun vijfde jaar verplicht les in programmeren. Het vak moet net zo normaal worden als rekenen en schrijven. „Te lang werd de computer gezien als een veredelde typemachine.”

Foto Thinkstock

De zombies van Hamza doen niets. Ze blijven met hun vork en mes aan tafel zitten, een bord hersenen in hun midden. Hamza kijkt teleurgesteld. Zombierush heet zijn spelletje. Hij tikt nog eens op de spatiebalk. Niets. De Pokémon-figuurtjes van klasgenoot Jack vlogen eerder wel over het scherm. Hamza laat de programmeertaal zien die hij schreef. „Zullen we zo kijken waar het misging?” stelt meester Allen Gross voor.

Het is half vier vrijdagmiddag op Chisenhale Primary School in de Londense wijk Tower Hamlets. Tien jongens en vier meisjes – negen, tien en elf jaar oud - zijn net binnen komen stormen en hebben een laptop gepakt. Een uur lang zullen ze, bijna voortdurend in geconcentreerde stilte, spelletjes programmeren. Er vliegen papegaaien over het scherm, heksen op bezemstelen, en op Hamza’s laptop springt een kat over pompoenen en grafstenen.

Dit zijn de enthousiastelingen die een jaar geleden begonnen met een naschoolse Code Club. Maar sinds begin dit schooljaar krijgen álle Engelse kinderen vanaf vijf jaar tot ze op hun zestiende school verlaten les in programmeren.

Het moet net zo gewoon worden als rekenen en taal, en hun dusdanige „computerdenkwijze en – creativiteit” bijbrengen dat ze „de wereld kunnen begrijpen en verbeteren”. Het vervangt de door leerlingen gehate en door het bedrijfsleven weggehoonde ICT-lessen, die vaak niet meer waren dan uitleg over hoe je een Excel-sheet moest maken.

„In de komende jaren zal het onmogelijk worden jezelf ontwikkeld te noemen als je de veranderingen die techniek met zich meebrengt begrijpt, noch kan beïnvloeden”, zei minister van Onderwijs Michael Gove toen hij programmeren toevoegde aan het verplichte lespakket op Engelse scholen.

Techniek moet je doen

Chisenhale loopt voor. „Techniek moet je doen, niet louter consumeren”, is de stelling van schoolhoofd Helen James. Vorig jaar schroefden de kinderen al hun eigen speakers in elkaar, en soldeerden ze een gameconsole. De server heeft een update gekregen, er zijn iPads aangeschaft, ieder kind kan online zien hoeveel energie de zonnepanelen op het dak op een dag hebben opgeleverd, en zelfs de onderbouw heeft een digitaal schoolbord. Het huiswerk voor de hogere klassen gaat deels online – op deze vrijdagmiddag kan meester Gross zien dat negen kinderen aan de rekenopgaven van eerder die dag zijn begonnen. Gross geeft sinds september op maandagmiddag aan zijn jaar 5 en 6 (te vergelijken met groep 7 en 8) programmeerles. Op vrijdagmiddag leidt hij de Code Club. Hij is zelf een early adopter en praat met gemak en enthousiasme over apps en codes. Veel van zijn collega’s hadden bij aanvang van de verplichte programmeerles juist kritiek: ze werden geacht binnen korte tijd zelf te kunnen programmeren. Misschien eenvoudig voor de gespecialiseerde ICT-leraren op middelbare scholen, maar ook 160.000 basisschoolleraren moesten eraan geloven.

Leraren zijn bang

„Ze zijn bang dat ze het niet zullen begrijpen”, zegt Lauren Hyams van Code Club UK. De Code Clubs, inmiddels op tweeduizend scholen in het hele Verenigd Koninkrijk en enkele in het buitenland, werden in 2012 opgezet door webontwerper Clare Sutcliff en programmeur Linda Sanvik, die zich zorgen maakten over het gebrek aan computerkunde onder basisschoolleerlingen. Nu worden er ook cursussen aan de leraren gegeven.„Als je naar de beschrijvingen in het nationaal curriculum kijkt, ziet dat er ook angstwekkend uit, zeker voor alfa’s”, vindt Hyams. „We beginnen met het ontraadselen: een algoritme is voor niet-technologen een recept. En aan een vijfjarige kunnen ze dat uitleggen als een ochtendroutine: opstaan, douchen, aankleden, ontbijten, tandenpoetsen, jas aan, naar school. De stappen die je moet zetten voor je een resultaat hebt.” Ze zegt: „Denk je eens in wat deze kinderen kunnen als ze over tien jaar een baan zoeken.”

Grote vis eet kleine vis

De leerlingen van Chisenhale hebben duidelijk plezier in wat ze doen. Porsha zucht weliswaar theatraal dat het „heel moeilijk is”, maar net als vriendinnetje Emily zoeft ze door de oefening. Binnen de kortste keren eet een grote vis een kleine. Ze gebruiken een eenvoudig en gratis te downloaden programma dat Scratch heet, speciaal voor kinderen ontworpen door het Massachusetts Institute of Technology. Hamza laat zien hoe het werkt. Bliksemsnel vliegen zijn vingers over het toetsenbord: „Hier kies je je figuren, dat is voor kleur, en zo doe je de bewegingen.” Aan de linkerkant van het scherm staat zijn spelletje, aan de rechterkant de programmeertaal, in kleurige blokken en eenvoudige mensentaal. Een deel is gekopieerd van bestaande spelletjes. „Dat is de bedoeling”, zegt Matteo Menapace, de Code Club-vrijwilliger die meester Gross op vrijdagen bijstaat. Hij is een app- en webontwerper en geeft op andere dagen Webmedia aan een hogeschool. „Zestig procent van wat een programmeur doet, is gekopieerd van open bronnen, 40 procent ontwerp je zelf. Dat is de volgende stap.” Leerling Jack is al zover: hij moet nu zelf een spel bedenken. „Met Vikings”, laat hij zien. „Cool, hè?”

Menapace zegt: „De kinderen leren logisch denken en de basisprincipes van programmeren te begrijpen. Veel van wat ze leren is precies wat ik dagelijks toepas als ik programmeer. Ze leren hoe de apps en de websites die ze gebruiken werken.”

Dat beaamt vader Shaun McGrath, een softwareontwerper. Hij kijkt toe hoe Freddie en Isabel, beiden nieuw op de Code Club, heksen over het scherm laten vliegen.

„Het is een heel makkelijk programma, maar het concept erachter is: hoe schrijf ik in computertaal? Ze leren terwijl ze spelen.” Hij zegt: „Het doet me deugd. Te lang werd de computer gezien als een veredelde typemachine.”