Sjors en Sjimmie overleefden make-over

Raciale stereotypen zijn vooral tijdsgebonden en kunnen gemakkelijk een aanpassing verdragen, meent Hans Beerekamp

Henk van der Linden (89) uit Schinnen zul je niet vaak tegenkomen in terugblikken op de Nederlandse filmgeschiedenis. Toch maakte hij tussen 1952 en 1985 ruim dertig lange jeugdfilms, die voor uitverkochte matinees in buurtbioscopen en parochiehuizen speelden.

En dan mag hij eens uitgebreid aan het woord komen in Andere Tijden (NTR/VPRO, 13 november), wordt consequent zijn naam verkeerd gespeld. Van der Linden, zoon van een bioscoopexploitant, behoorde niet tot de spraakmakende elite, die zijn films nogal amateuristisch en klungelig vond. Je ziet een vergelijkbaar effect nu bij de vele Sinterklaasfilms, die het goed doen bij een breed publiek, maar niet snel een Gouden Kalf zullen winnen.

Zeven van de films van Van der Linden waren avonturen van Sjors en Sjimmie, die tot stand kwamen volgens nauwgezette instructies van striptekenaar Frans Piët. Die schreef voor dat Sjimmie krom Nederlands moest praten („jij kaart hebben, Sjors?”), oorringen droeg en dikke rode lippen had.

Het was nog een hele klus om er een geschikte acteur voor te vinden. In 1955 vond de vrouw van de regisseur in een kindertehuis een Ambonees jongetje, Willem Marwa, maar in 1962 werd het hun eigen dochter Jos, in blackface. Ja, wie had daar aanstoot aan moeten nemen? Er waren nog nauwelijks zwarte mensen in Nederland, zeker niet in Limburg. Pas in 1976, voor het eerst in kleur, werd Sjimmie gespeeld door een Surinaams jongetje in spijkerpak.

Die keuze had ook Jan Kruis gemaakt, de striptekenaar die Sjors en Sjimmie in 1970 overnam van Piët. Andere Tijden maakte overtuigend duidelijk dat raciale stereotypen tijdsgebonden zijn en dat je het merk desondanks goed kunt behouden, in een aangepaste versie.

Om in de woorden van Opapiet (Peter Faber) in het Sinterklaasjournaal (NTR) te spreken: „Het belangrijkste is dat jij door die schoorsteen kunt. De kleur van een piet, dat is maar bijzaak.” Dat hebben de makers van het Sinterklaasjournaal werkelijk heel handig gedaan: na de eerste aflevering De Telegraaf en andere niet al te snuggere vrienden van Zwarte Piet laten juichen dat het feest ouderwets gezellig blijft. En dan in een onnavolgbare plotwending alle Pieten op één na laten verdwijnen, zodat er in hoog tempo nieuwe moesten komen. Iedereen in een Pietenpak kon zich melden in Gouda, bij de fabriek met een heel grote schoorsteen. Met andere woorden: Piet zijn is een generieke nutsfunctie, ontdaan van krom praten en slaafs gedrag, die iedereen zou kunnen vervullen. Dus als je als kind je oom of buurvouw herkent, dan hoef je nog niet van je geloof te vallen. Intussen doet een geëmancipeerde Sint af en toe gewoon zelf de afwas.

De publieke omroep is, zoals in vele zaken, leidend in de beeldvorming. Je kunt schelden wat je wilt op de elite, het is helemaal niet raar dat mensen met verstand van televisie of film de toon zetten.