Ik ben te laat gevlucht

De 38-jarige Ahmad ontvluchtte drie maanden geleden het verwoeste Aleppo. Uiteindelijk kwam hij in de Zwolse IJsselhallen terecht. Daar hoopt hij met zijn familie een nieuwe toekomst op te bouwen. Aan David Oranje vertelde hij zijn verhaal: „Ik hoop dat Nederland me vergeeft.”

De uit Syrië gevluchte Ahmad

‘Vlak buiten de Turkse kustplaats Marmaris werd ik met 44 andere vluchtelingen ’s nachts door een boot opgepikt. Ik had mensensmokkelaars 2.000 euro betaald om me naar Griekenland te brengen. Ze waren aanvankelijk vriendelijk, maar nadat ze het geld hadden ontvangen, veranderden ze compleet. Schreeuwend duwden ze ons het ruim in van het schip, dat we tijdens de zeven uur durende reis niet mochten verlaten.

We konden nauwelijks ademhalen; er was één kleine opening in het dek. De eerste uren verliepen soepel, maar de laatste waren door de hoge golven afgrijselijk. Toen het schip water maakte, trokken we onze zwemvesten aan en zeiden onze gebeden. We geloofden dat onze tijd gekomen was, totdat we op een Grieks strand werden gedumpt.

Tijdens de tocht moest ik vaak denken aan het onbezorgde leven van voor de oorlog. In Aleppo leefde iedereen – sunniet, shi’iet of alawiet – vreedzaam samen. Je respecteerde de geloofs- en levensovertuiging van anderen.

Na mijn studie informatietechnologie opende ik een internet- en gamescafé. Ik verdiende genoeg om comfortabel te leven met mijn vrouw en twee jonge kinderen. De tijd die ik overhield, besteedde ik met vrienden aan gamen, voetbal kijken en waterpijp roken. Je hoefde je geen zorgen te maken over berovingen of schietpartijen. Mijn vrouw kon ’s avonds alleen over straat gaan. Het was een mooie tijd.

Recalcitrante jochies waren het

Maar die eindigde met de komst van de Arabische Lente naar Syrië, in maart 2011. Toen tieners in Daraa leuzen als freedom for Syria op muren kalkten, arresteerde en martelde het regime hen, terwijl zij slechts recalcitrante jochies waren. Dat was de vonk die de revolutionaire protesten over het land verspreidde, zelfs naar Aleppo, dat zich aanvankelijk afzijdig had gehouden.

Het regime schoot demonstranten meedogenloos neer en zo werd de revolutie een oorlog. Hoewel ik niet achter het regime stond, deed ik niet mee met de opstand. Ik had het gevoel dat landen als Qatar en Iran Syrië voor hun eigen doeleinden gebruikten en daar wilde ik niet aan meewerken. Ik koos geen kant, zoals veel inwoners van Aleppo.

De verwoesting begon in 2012 en ging razendsnel. 70 procent van mijn stad is vernietigd. Hele straten zijn van de kaart geveegd. Mijn buurt was prachtig voor de oorlog, maar is nu één grote ruïne. Desondanks raak je gewend aan bombardementen, de alomtegenwoordige snipers en rottende lijken op straat. Je accepteert dat overal om je heen bekenden sterven.

Mijn internetcafé was al aan het begin van de oorlog geplunderd door een gewapende groep, evenals de meeste buurtwinkels. Alles was gestolen: televisies, computers, Playstations. We moesten de gouden sieraden van mijn vrouw verkopen om de extreem duur geworden levensmiddelen te kopen. In 2013 hadden we tijdens de ramadan twee tomaten en dat was een feest. We hadden zo lang alleen water en brood gezien.

Ik probeerde me met niemand te bemoeien en dicht bij huis te blijven – de enige plek die relatief veilig voelde. Afgezien van de controleposten van het regime en de rebellen waren de straten grotendeels verlaten. Maar ook thuis was je je leven niet zeker; altijd kon een bom op je huis vallen. We verkeerden constant in doodsangst.

Voor 4.000 euro naar Nederland

Veel vrienden vluchtten in het eerste jaar van de oorlog. Ik besloot te blijven, in de hoop dat alles snel voorbij zou zijn en ik mijn leven kon oppakken. Als ik nu terugkijk, ben ik te laat gevlucht, want de misère werd alleen maar groter. Toen ik zo’n drie maanden geleden vernam dat de Islamitische Staat naar Aleppo trok, besloot ik naar Europa te vluchten. Ik moest een veilige plek zoeken voor mijn familie.

Nadat ik per boot in Griekenland was aangekomen, vond ik na lang zoeken in Athene smokkelaars bereid me voor 4.000 euro met een vrachtwagen naar Nederland te brengen. De vijf dagen die de reis duurde, moest ik in de donkere en krappe vrachtruimte blijven, achter de lading verborgen. Alleen ’s nachts mocht ik even mijn benen strekken.

Als de wagen stopte, werd ik verlamd door angst. Ik had het geld voor de reis al betaald en de chauffeur had mijn bagage en telefoon afgepakt. Behalve een paar honderd euro had ik niets; aan mij viel dus weinig meer te verdienen. Ik was doodsbang dat ik verkocht zou worden aan orgaanhandelaren, want ik had veel enge verhalen gehoord. Toen de wagen voor de laatste keer stopte, vreesde ik het ergste.

De chauffeur commandeerde me uit de wagen en ineens stond ik in het daglicht. Ik kreeg mijn telefoon terug, waarna hij ervandoor ging. Ik was in shock. Het duurde een minuut voordat ik besefte dat ik niet eens wist waar ik was. Het was een nachtmerrie; ik wist niet of ik in Nederland of in Bulgarije of zelfs Turkije was. Ik ben gaan lopen totdat ik mensen tegenkwam. Die vertelden me dat ik in Zwolle was en wezen me de weg naar het station.

Daar zakte ik uitgeput neer op een bankje. Ik had gehoord dat ik naar een asielzoekerscentrum in Ter Apel moest gaan. Mensen waren behulpzaam en vriendelijk als ik vroeg hoe ik daar moest komen; dus begon ik me enigszins op mijn gemak te voelen. Toen ik ook nog gastvrij werd ontvangen in het asielzoekerscentrum, viel een loodzware last van me af: ik voelde me voor het eerst in tijden veilig.

Via een opvangcentrum in Veenhuizen belandde ik begin oktober in de IJsselhallen. Ik heb een tijdelijke verblijfsvergunning gekregen, maar ik ben niet voor mezelf hierheen gekomen. Ik had maar één doel: een veilige plek vinden waar ik mijn kinderen kan grootbrengen, die ik door de risico’s en kosten van de tocht moest achterlaten in Aleppo. Ik hoop dat Nederland me zo snel mogelijk zal toestaan mijn familie hierheen te halen.

Ik had gehoord dat geloof of afkomst er in Nederland niet toe doen en dat iedereen gelijk wordt behandeld. Dat klopt. Ik word menselijk behandeld, met respect. Ik ben hier gelukkig en ik wil de taal leren en een baan vinden – volwaardig burger worden. Ik schaam me dan ook dat ik illegaal naar dit land ben gekomen, maar ik had geen keus. Ik hoop dat het Nederlandse volk me dat zal vergeven, want in dit land hoop ik met mijn familie een nieuwe toekomst op te bouwen.”

Omwille van de veiligheid van zijn nog in Syrië verblijvende familie is Ahmads naam gefingeerd.