Ankara regeert mee in Den Haag

Hoe minder subsidie aan Turkse organisaties, hoe meer grip Turkije op ze krijgt, menen Froukje Santing en Lily Sprangers.

illustratie hajo

Lodewijk Asscher, de PvdA-minister met integratie in de portefeuille, laat vier toonaangevende Turks-islamitische organisaties de komende jaren monitoren. Zo wil hij voorkomen dat het integratieproces van de grootste minderheidsgroepering door een te sterke gerichtheid op het herkomstland achterblijft. Die beslissing volgde op de onvrede van Asscher met het onderzoeksrapport van de sociale wetenschappers Thijl Sunier (VU) en Nico Landman (UU). Zij namen deze organisaties onder de loep en maken, zoals gisteren door hen beschreven in deze krant, een handzaam onderscheid tussen bridging (op integratie gericht) en bonding (gericht op de eigen gemeenschap), vaak met behoud van de Turkse eigenheid. Volgens de onderzoekers sluiten deze twee elkaar niet uit. Bonding-activiteiten leiden tot meer participatie zodat er toch een verbindend (bridging) effect ontstaat.

Uit jarenlange waarneming concluderen wij echter dat Turks-Nederlandse organisaties die de nadruk leggen op bonding wel degelijk een rem kunnen zetten op succesvolle integratie. Zeker als deze organisaties in toenemende mate steun zoeken bij de Turkse overheid. Met het loslaten door de Nederlandse overheid (lokaal en nationaal) van het zogeheten doelgroepenbeleid is er een vacuüm ontstaan. Integratie is de eigen verantwoordelijkheid van migranten geworden. Met als gevolg dat de blik nu in versterkte mate op het religieus-conservatieve en nationalistische bewind van de regerende AK-partij wordt gericht. Denk aan de Yunus-affaire in het voorjaar van 2013 naar aanleiding van de onvrede over jeugdzorg dat een Turks-Nederlands jongetje in een gezin van twee lesbische vrouwen liet opvangen. Hierbij werd hulp van Ankara ingeroepen.

Die ontwikkeling valt samen met de oprichting van een departement voor in het buitenland levende Turken en aanverwante groeperingen. Dat departement ressorteert rechtstreeks onder de Turkse premier. De boodschap aan Turkse migranten is helder: neem deel aan het openbare leven, maar behoudt tegelijkertijd de Turkse cultuur. In de ogen van Ankara blijven zij Turks – ongeacht hoeveel generaties ze al weg zijn. Maar ook in electorale en geopolitieke zin heeft het bewind er belang bij om hen aan zich te binden. Turkije wil in 2023 tot de top tien van economische machten in de wereld behoren. Ook migranten in het buitenland zijn instrumenteel in dat streven. Bovendien worden ze in toenemende mate gezien als pleitbezorgers van de belangen van Turkije in de vestigingslanden.

Een voorbeeld daarvan is de mede door de Turkse staat geïnitieerde tegendemonstratie op 1 juni ter gelegenheid van de plaatsing van een nieuw herdenkingsmoment voor de Armeense genocide (1915) op het terrein van de Armeens Apostolische Kerk in Almelo.

Ofschoon de hoop nog niet is bewaarheid dat de opgedroogde Nederlandse subsidiestromen worden gecompenseerd door geldstromen vanuit Ankara, is intensivering van de aandacht voor Turkse migranten ook in Nederland merkbaar. Enkele voorbeelden: toename van het aantal attachés op Turkse ambassades en consulaten, bijeenkomsten over vrouwenrechten in Nederland georganiseerd door het Turkse ministerie van Familiezaken, hulp van datzelfde ministerie bij het opzetten van Turks-islamitische jeugdzorgorganisaties specifiek voor het werven van Turkse pleeggezinnen, toegenomen druk om onderwijs in de Turkse taal her in te voeren op Nederlandse basisscholen en een actievere rol van Diyanet, het Turkse directoraat voor Godsdienstzaken dat 142 moskeeën in Nederland beheert en waarvan de imam op de loonlijst van de Turkse overheid staat.

De oriëntatie van veel Nederlanders met een Turkse achtergrond op het land van hun ouders staat hun integratie doorgaans niet in de weg. Het sluit aan bij globaliseringprocessen. Menigeen kiest voor een meervoudige – Turkse en Nederlandse – identiteit. Een belangrijk deel van de Turkse migranten zit helemaal niet te wachten op bemoeienis van het herkomstland waar zij vooral graag met vakantie naar toe gaan.

Er is echter een groeiende groep die de Turkse overheid als dé reddende engel beschouwt – soms uit ideologische gronden, soms om pragmatischer redenen. Zij ervaren verkilling en een vijandige houding in de Nederlandse samenleving ten aanzien van hun religie en cultuur. Het zijn zaken die in Nederland aan de orde moeten worden gesteld, maar ze zoeken hun heil in Ankara. Terecht dat Asscher zich grote zorgen maakt over juist die agenda. Maar het wekt tegelijk verbazing dat hij en met hem de regering, die zorg niet expliciet ook richt op de motieven van de Turkse overheid.

Aan het nieuwe diasporabeleid van de Turkse regering ligt een concept van Turkishness ten grondslag dat op gespannen voet staat met het Nederlandse integratiebeleid. De waarden en normen die Ankara uitdraagt, zoals de publieke rol van religie en de man-vrouw verhoudingen zijn niet te verenigen met de seculiere wind in Nederland en de meer liberale waarden en normen waaraan hier in brede kring wordt gehecht: verdraagzaamheid en vrijzinnigheid.

Uit de analyse door Sunier en Landman van de bridging- en bonding-activiteiten blijkt niet dat de robuuste manier waarop de Turkse diasporastrategie momenteel wordt uitgerold voldoende is meegewogen. De reden daarvan is dat het simpelweg nog niet is verwerkt in de wetenschappelijk literatuur in Nederland.

Maar ook Asscher schiet tekort door de vier grote Turks-islamitische organisaties als dé boosdoeners van mogelijke anti-integratietendensen aan te wijzen. Wil zijn integratiebeleid breed wortel schieten dan zal de Nederlandse regering ook de lange arm van Ankara moeten terugdringen – ongeacht de economische belangen die er op het spel staan. Wat verhindert Asscher om die boodschap op korte termijn zelf in Ankara te gaan overbrengen?