‘Weidegang is voor het welzijn van de koe niet nodig’

CDA-Kamerlid Jaco Geurts in een debat op Radio 1

illustratie martien ter veen

De aanleiding

Steeds minder koeien komen in de wei. Door onder meer schaalvergroting en de opkomst van de melkrobot is het aandeel ‘weidende’ melkkoeien – die de helft van het jaar in de wei staan – gedaald van 94 procent in 1992 tot 70 procent dit jaar.

Wetgeving om ‘weidegang voor alle Nederlandse melkkoeien te verplichten komt er niet. Staatssecretaris Sharon Dijksma (Economische Zaken, PvdA) zei vorige week dat ze boeren de vrij keuze wil laten. Ze reageerde daarmee op een motie van de Tweede Kamer die in meerderheid voor verplichte weidegang is. Onder meer brancheorganisatie LTO Nederland en CDA zijn tegen.

Afgelopen woensdag ging CDA-Kamerlid Jaco Geurts op Radio 1 in debat met D66-Kamerlid Gerard Schouw. „Wie koeien heeft, moet ook kunnen zorgen dat ze in de wei kunnen staan”, zei Schouw. Maar volgens Geurts vinden koeien de stal net zo plezierig als de wei, ongeacht het weer. „Voor het welzijn van de koe is weidegang niet noodzakelijk”, zei hij. We checken deze uitspraak.

Waar is het op gebaseerd?

We bellen de woordvoerder van CDA-Kamerlid Jaco Geurts. Die mailt (naast een mooi plaatje van een ruime, luxe stal) een scriptie uit 2006 van een student aan Wageningen Universiteit over weidegang. Uit de scriptie, grotendeels gebaseerd op literatuuronderzoek, blijkt dat er argumenten voor en tegen weidegang zijn, zoals er ook argumenten voor en tegen opstallen zijn.

En, klopt het?

Weidegang voor melkkoeien is – heel toepasselijk – „geen zwart-wit verhaal”, zegt Agnes van den Pol, weidegang-expert aan Wageningen Universiteit. Haar conclusies komen overeen met die van de scriptie: zowel op het gebied van milieu, arbeid, economie als welzijn hebben wei en stal beiden voor- en nadelen. Dat maakt de discussie erover ingewikkeld. Voorstanders weten hun argumenten te onderbouwen, maar tegenstanders ook.

Welzijn kun je beoordelen op twee aspecten: natuurlijk gedrag en diergezondheid.

Eerst het natuurlijk gedrag. Daarvoor is de koe duidelijk het beste af in de wei. Daar kan hij kuddegedrag vertonen en zijn natuurlijke plaats innemen in de groep. De koe die weidt heeft meer individuele afstand, kan makkelijker opstaan en liggen en kan beter bronstgedrag vertonen.

Maar wat is ‘natuurlijk gedrag’? De melkkoe is ver doorgefokt en heel vroeger waren er in Nederland geen koeien. Je kunt de koe zijn vrijheid gunnen, zoals de mens die zichzelf graag gunt, maar de koe is geen mens. Hoe belangrijk vindt de koe zelf eigenlijk natuurlijk gedrag? Of, anders: hoe erg vindt de koe het als die niet alle vrijheid heeft?

Koeien op stal vertonen niet méér stressreacties dan weidekoeien, zegt Van den Pol. Er zijn koeien die liever binnen dan buiten vertoeven. Geef je koeien de vrije keus, blijkt uit onderzoek, dan kiezen ze vaak voor gemak: liever gemaksvoer in de stal dan gras van de wei. „Tja, wat is in dit geval welzijn?” zegt Van den Pol. „Je geeft de koe de keuze en zij blijft binnen, terwijl het voor de koe misschien beter is haar de wei in te sturen.”

Ook het diergezondheidsaspect heeft meerdere kanten. Een verband tussen dierenartsrekeningen en stal of wei is niet aangetoond. Maar voor de uiers is weidegang wel beter: het verlaagt de kans op bacteriële uierinfecties. Anderzijds komt alleen in de wei leverbot voor, een parasitaire platworm. Ook geeft de wei schommelingen in de samenstelling van voer (onprettig voor de koe) en verhoogt de wei de kans op hittestress. Een belangrijk argument vóór weidegang zijn klauwaandoeningen, zoals ‘stinkpoot’. Die komen in de stal vaker voor door de hogere infectiedruk in stallen. Ook is de harde ondergrond van vooral de oudere ligboxenstallen – en daar zijn er nog best wat van - slecht voor de gewrichten. Ze kunnen tot verwondingen en doorligplekken leiden.

Conclusie

Gekeken naar dierenwelzijn zijn er argumenten vóór en tegen weidegang. De uitkomst van de discussie hangt af van hoe je alle argumenten weegt. We beoordelen de stelling dat ‘weidegang voor het welzijn van de koe niet nodig is’ daarom als half waar.