Penis & pepernoot

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Waarom heten pepernoten eigenlijk pepernoten, wilde een lezer weten. Er zit toch geen peper in? Of oorspronkelijk wel?

Over de geschiedenis van de pepernoot is van alles beweerd. Zo lees je soms dat de eerste pepernoten al in middeleeuwse kloosters werden gebakken onder de naam panis piperatus. Er zouden specerijen in zijn verwerkt die door kruisvaarders uit het Midden-Oosten waren meegenomen. Bovendien zou strooien met pepernoten een vruchtbaarheidsritueel zijn.

Dat kan waar zijn, maar ik heb er geen overtuigende bewijzen van gevonden. Zeker is dat men het aanvankelijk niet over pepernoten maar over peperneuten had. In die vorm (neut was vroeger de gewone vorm voor het modernere noot) is het woord in 1720 voor het eerst aangetroffen. Het komt voor in een gedicht waarin een man klaagt dat zijn liefje zo weinig aandacht voor hem heeft, terwijl hij toch zoveel voor haar doet. Zo heeft hij herhaaldelijk ‘peperneuten’ voor haar gekocht.

Vanaf het begin van de 18de eeuw komen we peperneuten in allerlei bronnen tegen. Wat daarbij opvalt is dat peperneuten vaak als ‘speelgoedgeld’ worden gebruikt. Zo lezen we in een naslagwerk uit 1772, over een bordspel: ‘De winst of het verlies bestaat doorgaans in Peperneuten, of eenige kleine Penningjes.’

De eerste die peperneuten noemt in verband met het Sinterklaasfeest is bij mijn weten Willem Bilderdijk. In 1824 schrijft Bilderdijk in een brief: „Gij zijt een zoet kind, dat zoo veel van St. Nicolaas houdt, maar veel te groot om bang voor hem te zijn. Neem het hem ook niet kwalijk, al zijn zijn peperneuten nu en dan eens wat hard en al kletteren zij dan, als hagelsteenen door ’t huis.” Dat de peperneuten zo hard kletterden, vervolgt Bilderdijk, kwam doordat ze oudbakken waren; die van de moderne koekenbakkers waren naar zijn smaak „niet behoorlijk gekruid of gepeperd”.

Oorspronkelijk zat er dus inderdaad peper in pepernoten, vandaar de naam. Het kunnen overigens ook andere kruiden zijn geweest, want peper is lang als verzamelnaam gebruikt voor allerlei kruiden die oorspronkelijk uit de Oost kwamen, inclusief kaneel en nootmuskaat. Vanaf het eind van de 18de eeuw maakten koekenbakkers de pepernoten zoeter.

Halverwege de 19de eeuw komen we peperneut in diverse uitdrukkingen tegen. Zo zei men indertijd dat is andere koek dan peperneuten en hij lust wel peperneuten. Dat laatste werd gezegd van iemand die dronken was. In kroegen stond vroeger vaak een grote kom met pepernoten op de toog – zoals er nu soms nootjes staan. Volgens sommigen is neutje voor ‘borrel’ een verkorting van peperneutje („Ik ga even een peperneutje halen”), maar er zijn concurrerende verklaringen.

Ruim anderhalve eeuw bleef peperneut de meest gangbare schrijfwijze, vanaf het midden van de 19de eeuw wint pepernoot terrein. We komen pepernoot soms in een figuurlijke betekenis tegen. Zo vermeldt De Sheboygan Nieuwsbode, het „Orgaan der Nederlanders in Noord-Amerika”, pepernoot in 1859 als een koosnaampje, naast onder meer hartje, schatje en pepermuntje.

De Grote Van Dale vermeldt drie figuurlijke betekenissen bij pepernoot: ‘geld, speelgoedgeld’, ‘klein ventje’ en – de meeste opmerkelijke – ‘penis’.

Plus de voetbaluitdrukking geen pepernoot raken. Betekenis: heel slecht spelen.