In de stem van Dr. John klinkt de dampende bayou

Hij was lang verslaafd aan harddrugs en creëert met een cocktail van jazz, funk en straattaal onverminderd broeierige sferen. Komend weekend treedt Dr. John (New Orleans, 1940) op tijdens het avant-gardistische Le Guess Who?-festival.

Dr. John tijdens een concert in zijn geboorteplaats New Orleans, in april 2011. Foto Jeff Beninato

Hij leeft, hij speelt piano, hij zingt als een onbetrouwbare verleider. Hij staat zelfs op om zijn gitaar over één schouder te hangen en een uitgebeten bluesloopje te spelen. De inmiddels 73-jarige Dr. John, die op zijn veertiende verslaafd raakte aan harddrugs en ook in de daaropvolgende decennia van zijn lichaam geen tempel maakte, is een gretige muzikant. Inmiddels al twintig jaar clean, draagt hij het lange haar in een staart, heeft een donkere zonnebril op en maakt illustratieve handgebaren bij zijn doorleefde teksten. Zelfs in het betonnen Kulturzentrum te Leverkusen, tijdens de jaarlijkse ‘Jazztage’, ontstaat een broeierige sfeer uit zijn cocktail van jazz, funk en straattaal. Het duurt even voordat het publiek ontdooit, maar dan geeft het zich over aan de groove van de dokter en zijn vijf muzikanten, in deinende klassiekers als Right Place, Wrong Time, Such a Night en Tipitina’s.

Omringd door zijn voodoo-parafernalia – doodshoofd op de piano, veren en amuletten – speelt Dr. John afwisselend piano en orgel, en laat horen dat zijn stem nog altijd trefzeker kraakt en kreunt, op een ondergrond van gewelfde vrouwenkoortjes, verzorgd door tromboniste Sarah Morrow.

Dr. John zingt als een straatslijper die je vanuit zijn mondhoek iets aan wil smeren. Is het liefde of een illegaal handeltje? Dit is een stem die het slechtste en het beste van het menselijk potentieel in zich draagt.

Want Dr. John maakt niets mooier dan het is, ook muzikaal niet. Het is een verademing te horen dat hij zijn oudere werk nog altijd niet heeft gladgestreken. Waar veel oudere muzikanten hun geluid inmiddels wat oppoetsen, kiest Dr. John voor meetrillende tonen en een roestig gitaargeluid. De oerstijl van New Orleans wordt in ere gehouden.

Juist die volharding maakt dat Dr. John tegenwoordig overal welkom is. Vorige week was hij hoofdact op het jazzfestijn in Leverkusen, komend weekend treedt hij op tijdens het avant-gardistische Le Guess Who?-festival, omringd door een arsenaal aan nog obscure bands met extreme geluidsexperimenten.

Zoals de muziek van The Beach Boys geassocieerd wordt met zon en zee in Californië, en de band Sigur Rós met de poëtische leegte van IJsland, zo is de zware luchtvochtigheid van de ‘bayou’ terug te horen in Dr. Johns timbre. Het lome ritme, het mysterieuze geklop en geritsel, de orgelklanken die als stoom lijken te ontsnappen, de vogelkreten van de gitaar, ze ontstonden bij het moeras, in de delta van de Mississippi. Dr. John werd geboren in New Orleans, in 1940, groeide er op, en heeft er – afgezien van een verblijf in Los Angeles waar hij in 1963 zijn carrière lanceerde – altijd gewoond. De historie van zijn stad heeft hij op verschillende manieren opgediept en verwerkt, en zij heeft hem op zijn beurt gemaakt tot wie hij is. De voodoo, de minstrel-shows, de nachtclubs en de mix van muziekstijlen die er te horen was, zorgden ervoor dat Mac Rebennack op zijn vijftiende besloot om professioneel muzikant te worden. De sfeer van New Orleans hing voor Dr. John samen met de voodoo-leer (spreek uit als ‘hoedoe’), die hij in zijn muziek verwerkte op vroege platen als Gris-Gris (1968) en Dr. John’s Gumbo (1972). Hij ondervroeg traditionele voodoo-heelmeesters en verwerkte hun kennis en vocabulaire in zijn teksten.

Twee jaar geleden maakte hij de vitale cd Locked Down, met Dan Auerbach van bluesrock-duo Black Keys als producer en gitarist. Het duo werkte in Auerbachs studio in Nashville, maar ook daar was de gedachte aan New Orleans niet ver weg. Over de gevolgen van orkaan Katrina schreef hij Revolution, met de woorden ‘Blind eyes of justice, deaf ears of power/ Dumb lose our money, left us in a desperate hour/ Economy, driving me out of my sanity’. In interviews sprak hij zich uit over de nalatigheid van de overheid ten aanzien van de lokale bevolking. Locked Down leverde hem een Grammy Award op.

Zo maakt Dr. John op dit moment een succesvolle fase door, met uitverkochte optredens en, zoals afgelopen mei in New Orleans, een muzikaal eerbetoon door collega’s als Bruce Springsteen, Mavis Staples en Allen Toussaint. Maar ook als er even geen belangstelling is van het publiek, zoals in die meer dan vijftig jaar durende carrière af en toe voorkwam, dan speelde Dr. John altijd door. Al was het maar bij de optochten tijdens het Mardi Grass-carnaval in zijn stad.

De muzikale geschiedenis van zijn geboorteplaats heeft hij onlangs weer tot leven gebracht met een eerbetoon aan Louis Armstrong, de in 1971 overleden trompettist en zanger, die in dezelfde buurt opgroeide als Dr. John. Nadat hij al eens een eerbetoon aan Duke Ellington had opgenomen, Duke Elegant uit 1999, ontstond het idee voor een cd met liedjes van Louis Armstrong.

Het duurde een paar jaar voor het ervan kwam. Eerst ontsloeg Dr. John zijn band en management, maar toen, met nieuwe begeleiders en vooral door de bemoeienis van tromboniste Sarah Morrow, lukte het. De afgelopen augustus verschenen plaat heet Ske-Dat-De-Dat: The Spirit of Satch. Morrow en Dr. John kozen de nummers, vroegen gastmuzikanten als Bonnie Raitt en de Blind Boys Of Alabama en namen rauw swingende versies op van It’s a wonderful World en de traditional Sometimes I Feel Like a Motherless Child, die hij in Leverkusen uitvoert met een huiveringwekkend gevoel van verlatenheid.

Na zijn optreden vertelt Dr. John over zijn liefde voor ‘Satchmo’ en over New Orleans. In gesprek is zijn stem zachter dan op het podium, maar de woorden klinken zoals hij ze zingt, met eigen vondsten (‘electrickery’) en een eigen uitspraak (‘jernt’ voor joint).

U heeft een bijzondere stem, gemeen en verleidelijk tegelijk. Bent u er zelf tevreden mee?

„Ik wilde een andere stem, vroeger. Als songschrijver en als zanger was ik ontevreden, want ‘echte zangers’ hadden stemmen als Charles Brown, Chuck Carbo, Aaron Neville of Johnny Adams. Die jongens konden gevoelig zingen. Vergeleken met hen, kon ik mijn eigen stembanden niet echt waarderen.”

U heeft een cd opgenomen met nummers van Louis Armstrong. Wat is volgens u het belangrijkste kenmerk van zijn stijl?

„Er is niet één aspect. Het bijzondere aan Louis’ stijl is dat hij zweeft als een vlinder, en dat hij de spanwijdte had om overal te komen waar hij maar wilde, muzikaal gezien. Bovendien had Louis een bijzonder gevoel voor humor. Ik vond het cool dat hij al lang in New York woonde, in Queens, maar dat niemand ooit opmerkte dat hij weg was uit New Orleans. Hij kwam gewoon terug om ‘King of the Zulu’s’ te zijn met Mardi Grass, en was meteen weer de held van de stad.

„Toen ik jong was zag ik Louis bij ons in de buurt, hij kwam wel eens in de winkel van mijn vader, die elektrische apparaten verkocht. Ik ben heel blij en trots dat ik deze plaat heb gemaakt, samen met Sarah. Het is ‘a true props to Pops’.”

Wilde u zijn nummers naar het heden vertalen?

„Ach, daar denk ik niet zo over na. Ik speel de nummers in mijn eigen stijl, en dat is de beproefde wijsheid van de ‘funknology’. Je weet wel, een beetje van dit en een beetje van dat. Het werkt nog altijd.”

U werkte onlangs samen met Dan Auerbach, in Nashville. Was zijn aanpak in de studio anders dan u tot dan toe gewend was?

„De aanpak van Dan was voor mij een trip naar het verleden. Hij wilde dat ik de zang en de pianopartijen apart opnam, zonder steun van andere instrumenten. Dat doe ik normaal nooit. Ik werk liever met de hele band tegelijk. Maar ik was uiteindelijk tevreden. Het resultaat was enigszins atmosferisch. Het had een goede ‘vibe’.”

Hoe vertaalt u die opnamen naar het podium?

„Live spelen we een paar nummers van die cd, Locked Down en Big Shot, in andere arrangementen, omdat er in de studio veel meer muzikanten waren dan ik op tournee bij me heb. Het resultaat is wat langzamer en kaler dan op de cd. Zo maken we het elke avond weer fris voor onszelf.”

U speelt bijna elke avond een andere set, wat uitzonderlijk is. Hoeveel nummers schudt u zomaar uit uw mouw?

„Een heleboel en dan nog een beetje. Echt, ik dol je niet, dat is de ware ‘mcgillicutty’. Maar wat dat betekent, ga ik je niet verklappen.”