Column

Helmut Kohl wilde ook een stuk Polen hebben

Onophoudelijk sabelgekletter in de Oost-Oekraïne, dreigende ineenstorting van heel de veiligheids- en overlegstructuur in Europa – het is een weinig feestelijke actualiteit voor de viering van 25 jaar Val van de Muur in het Amsterdamse debatcentrum De Balie dit weekeinde. Op de regenachtige zondagmorgen, voor een onbegrijpelijk bescheiden aantal toeschouwers, treedt ex-premier Ruud Lubbers op, geflankeerd door D66-veteraan Laurens Jan Brinkhorst en Egbert Jacobs, ’s lands laatste ambassadeur in de DDR.

Lubbers, nu 75, was premier van 1982 tot 1994 en heeft als Europees staatsman de stormachtige gebeurtenissen rond het jaar 1989, waarin de tweedeling van Europa in een Sovjetblok en kapitalistische democratieën zijn einde naderde, op de voet gevolgd en een woordje mee gesproken. Zijn christen-democratische geestverwant de West-Duitse bondskanselier Helmut Kohl heeft hij daarbij nauwlettend in het oog gehouden, blijkt uit Lubbers’ woorden.

Zo blijkt Kohl in 1989, tijdens onderhandelingen met de eerste democratisch verkozen premier van Polen, Tadeusz Mazowiecki, te hebben aangekondigd dat hij behalve de Duitse hereniging ook een herziening van de Oder-Neisse-grens tussen Duitsland en Polen nastreefde. Ten oosten van deze grens, die na de Tweede Wereldoorlog was ingesteld, hadden in Silezië voor de oorlog immers miljoenen Duitsers gewoond, die met harde hand door de Poolse- en Sovjetcommunisten etnisch gezuiverd waren. Hun organisaties, de zogenaamde Heimatvertriebenen, hadden traditioneel grote invloed in Kohls partij, de CDU/CSU. Slechts met grote moeite en na enkele maanden, vertelt Lubbers, kon Kohl er van worden overtuigd dat een herziening van de Oder-Neisse-grens een stap te ver zou zijn voor de internationale diplomatie en de vereniging van Bondsrepubliek en DDR daardoor wellicht zou mislukken.

Hij heeft meer kritiek op Kohl: de Duitse bondskanselier heeft in die tijd veel te ruimhartig alle zojuist van de Sovjet-dominantie bevrijde landen beloofd dat ze bij de Europese Unie mochten komen, „iets waarvan we nu nog last hebben, want lang niet al die landen waren daar klaar voor”.

In zijn tijd als premier stond Lubbers bekend om zijn stijlvolle ontwijking van al te rechtstreekse vragen, waarbij de vragensteller vaak pas achteraf merkte dat hij met meer vragen naar huis ging dan waarmee hij gekomen was. Dat vermogen heeft de ex-premier zeker nog niet verlaten, maar tussen neus en lippen door doet hij deze ochtend belangwekkende mededelingen. Zo is, naar zijn indruk, Sovjetleider Michail Gorbatsjov na 1989 inderdaad informeel gerust gesteld dat het nooit tot een uitbreiding van de Navo in oostelijke richting zou komen – de huidige verontwaardiging van Vladimir Poetin over de tegengestelde ontwikkeling is dus niet zonder enige grond.

En hij vertelt, sprekend over de huidige crisis in Oekraïne, zich als Nederlander geschaamd te hebben toen bleek dat de vorig jaar bij de Maidan-revolutie in Kiev verdreven president Viktor Janoekovitsj van het volk gestolen geld gewoon in Nederland op de bank heeft mogen zetten, net als andere kleptocraten in Oost-Europa. Al die kennis smaakt naar meer. Wie helpt Ruud Lubbers eens gauw zijn autobiografie op de rails te zetten?