Goed plan, maar de wethouder is bang

Op 1 januari nemen gemeenten allerlei zorgtaken over van provincie en Rijk. Met nog anderhalve maand te gaan hebben lokale bestuurders veel vragen en vrezen ze geldnood, leert een enquête.

Onkruid zal floreren op pleinen en wegen in het Brabantse Geertruidenberg. De plaatselijke voetbalclubs Veerse Boys en Good Luck lopen, samen met nog een aantal lokale sportverenigingen, vanaf begin 2015 subsidies mis. En de opknapbeurt van het historische marktplein wordt uitgesteld. Het uitgespaarde geld is nodig voor een enorme taak die de gemeente volgend jaar moet uitvoeren. Geertruidenberg wordt verantwoordelijk voor gezondheid en welzijn van haar zwakkere inwoners, net als de 402 andere Nederlandse gemeenten.

In bijna al die gemeenten maken burgemeesters en wethouders zich grote zorgen, blijkt uit een enquête van deze krant en onderzoeksbureau Overheid in Nederland. Lokale bestuurders in alle gemeenten werden benaderd, waarvan tweederde reageerde: 266 gemeenten in getal. Opgeteld wonen hier ruim tien miljoen mensen.

Drie decentralisaties

Onderwerp van de enquête: de drie decentralisaties, die op 1 januari plaatsvinden. Gemeenten worden dan verantwoordelijk voor de jeugdzorg, langdurige zorg aan hulpbehoevenden, en arbeidsplekken voor gehandicapten. Nog anderhalve maand resteert dus. Of zeg gerust een maand, want rond 20 december schakelt men, zeker in de ambtenarij, over op kerstbal en oliebol. Hoe denken bestuurders over de grootscheepse veranderingen?

Niet alles is kommer en kwel, zo blijkt. Liefst 93 procent van de gemeenten staat vierkant achter de decentralisaties zelf. Wij, zeggen burgemeesters en wethouders, kennen onze burgers het beste en weten als geen ander hoe zij hun zorg georganiseerd willen zien.

Maar feit is: dit positieve geluid sneeuwt onder als je de wethouders goed aanhoort. Het Rijk krijgt er van langs. Ruim de helft van de gemeenten klaagt over de wijze waarop ze de nieuwe taken toegewezen krijgen. Waarom, bijvoorbeeld, weten ze nog stééds niet hoeveel geld er voor jeugdzorg is?

En waarom wil het Rijk zoveel regels opleggen, terwijl ze tegelijkertijd worden geacht om de zorg op hun eigen manier te organiseren? Wethouders vrezen ook dat volgend jaar elk lokaal incident zal leiden tot Haagse bemoeizucht en extra toezicht. „De Haagse risico-regel-reflex”, zoals een bestuurder het uitdrukt. Liever niet, zegt een collega-wethouder. Zijn boodschap: „Loslaten, dames en heren.”

Besparingen

De grootste klacht is geldgebrek. De decentralisaties gaan namelijk gepaard met miljardenbezuinigingen. Slechts 30 procent van alle lokale bestuurders zegt genoeg geld over te hebben om de zorg voor thuiswonenden naar behoren te kunnen uitvoeren – denk aan het betalen van een traplift, maaltijden van tafeltje-dekje of boodschappenhulp voor dementerenden. Voor jeugdzorg schat slechts 20 procent van de wethouders voldoende geld te hebben. De grootste zorgen hebben wethouders over de Participatiewet: een schamele 10 procent zegt genoeg budget te hebben om mensen met een beperking aan een baan te helpen.

Gemeenten zagen die bui al hangen. Liefst 60 procent van de gemeenten heeft – vanwege de bezuinigingen op de nieuwe taken – een noodpot klaargezet. Van twee ton in het Zuid-Hollandse Zederik (13.500 inwoners) tot 20 miljoen in Arnhem (150.000 inwoners). Om die potten te vullen snijden tachtig gemeenten – 17 procent van het totaal – op andere posten. Het plaatselijk muziekcollectief dat een halve ton minder krijgt. Wijkcentra die voortaan vier ton per jaar mislopen. Lokale ringwegen die minder vaak een onderhoudsbeurt krijgen.

Besparingen alom, dus. Maar één bezuinigingsmaatregel gaat wethouders en burgemeesters te ver: ze willen niet dat kinderen de dupe worden van de lagere budgetten. De overgang van jeugdzorg naar de gemeenten gaat gepaard met een bezuiniging van 450 miljoen euro, uitgesmeerd over drie jaar. Gemeenten willen een beroep doen op hun noodpot, zeggen ze. Efficiënter werken. Of – zoals bijna eenderde van de bestuurders wil – compensatie vragen bij het Rijk. Het ministerie van VWS laat weten open te staan voor gesprekken hierover.

Onduidelijkheden

Maar zelfs al is het geldprobleem de wereld uit, dan nog voorzien de wethouders moeilijkheden. Want hoeveel zorg moeten ze inkopen? Daarvoor moeten ze in elk geval weten hoeveel kinderen er van jeugdzorg gebruikmaken. Een op de drie gemeenten zegt dat niet te weten; zij hebben vaak nog geen complete bestanden gekregen van jeugdzorginstellingen.

„Informatie komt versnipperd, veel te laat en klopt vaak ook niet eens”, zegt een wethouder. Dus, wat betekent dit voor het kind? Zij mogen niet het slachtoffer worden van deze operatie, maar 16 procent van de bestuurders durft dit niet uit te sluiten. Een wethouder: „Doordat we niet weten of we iedereen in beeld hebben, kan die garantie niet gegeven worden.”

In de reïntegratie van gehandicapten – de Participatiewet – hebben wethouders het minste vertrouwen. Honderdduizend gehandicapten moeten de komende tien jaar reguliere banen krijgen. En daar moeten gemeenten voor zorgen. Maar die banen zijn er helemaal niet, zegt Annalies Usmany-Dallinga, wethouder in het Groningse Appingedam. Haar regio kampt met een werkloosheid van 15 procent. „Er is daardoor onvoldoende perspectief voor de mensen met een beperking. Dat is echt heel naar.”

Ook de bereidheid van werkgevers om gehandicapten in dienst te nemen laat te wensen over, zeggen lokale bestuurders. Er is „angst” onder werkgevers, er zijn „vooroordelen” en: „onbekend maakt onbemind”.

Wijdverspreide angst

Ruim driekwart van de gemeenten voorziet dan ook problemen bij het aan werk helpen van gehandicapten. Een zorgwekkend hoog aantal, zegt Roland Blonk, hoogleraar arbeidsparticipatie verbonden aan Universiteit Utrecht en kennisinstituut TNO. „Maar verbazingwekkend is dit niet. Bedrijven werken steeds meer met flexwerkers. Er is dus grotere concurrentie op de vaste banen. Dat maakt het lastig om mensen met een beperking structureel aan werk te helpen. Zij zijn niet de sterksten.”

Nogmaals: bijna alle gemeenten vinden dat zij beter voor zwakkere burgers kunnen zorgen dan het Rijk. Maar de angst is wijdverspreid. Dat een autistische werknemer zonder goede begeleiding aan de slag moet bij een werkgever. Dat probleemkinderen te lang moeten wachten op het intakegesprek bij de psychiater. Dat ouderen de toegang tot het verzorgingshuis wordt ontzegd, al zijn ze te vergeetachtig om nog veilig thuis te wonen.

Een wethouder: „Voor het Rijk is de gedachte: dan zijn wij mooi van die taken af, en mogen de gemeenten de bezuinigingen verstouwen en eventuele misstanden verantwoorden.”