Gezocht: meetlat voorvierkacht van de mens

De zorg wordt te duur, mensen moeten leren meer en langer voor zichzelf te zorgen. Hoe doe je dat? Gijsbert van Es zoekt een methode om veerkracht te meten.

Dit is een aanzet voor de ontwikkeling van een ‘vierkracht-meter’. Denk mee! Valt een vragenlijst te maken om de veerkracht een mens te meten? Hoeveel kracht kan iemand ontlenen aan zichzelf en aan z’n omgeving, tegen de achtergrond van z’n fysieke omstandigheden én z’n mentale beleving daarvan? Reacties naar: denken@nrc.nl Studio nrc.next

Ik heb een nieuw woord bedacht: vierkracht. Het is een variatie op het woord veerkracht. Men neme: een gedraaid stuk ijzerdraad, een veer dus. Hang het ene uiteinde op twee meter hoogte en knoop een baksteen aan de andere kant. Trek de steen nu loodrecht naar beneden, tot de grond, en laat ’m vervolgens los. De steen veert omhoog, daalt, stijgt weer, enz. De afstand die de steen aflegt, krimpt geleidelijk.

De Britse natuurkundige Robert Hooke heeft over deze veerkracht, elasticiteit, in 1678 een natuurkundige wet geformuleerd. Te simpel samengevat: geleidelijk verliest een veer z’n kracht wanneer die heen en weer gaat als een harmonica. Dan zijn andere, nieuwe krachtbronnen nodig om de baksteen weer te laten stijgen en dalen.

Vier factoren zijn bepalend voor de kracht van de veer: het materiaal waaruit die is gemaakt, de lengte en diameter van de gedraaide draad, het gewicht van de belasting en de oorspronkelijke kracht waarmee de elastische beweging op gang is gebracht. Veerkracht is dus vierkracht.

Het woord veerkracht is bezig aan een gestage opmars: niet in de natuur- maar in de menswetenschappen. Er ontwikkelt zich een nieuwe visie op gezondheid en ziekte. De oude, dominante visie was: een mens is per definitie gezond en zo niet, dan staat een compleet leger van huisartsen, medisch specialisten, therapeuten, verplegers en verzorgers klaar om de rimpels van aandoening en ongemak glad te strijken.

Dat was toen – maar het wordt onbetaalbaar, in een samenleving waarin twee trends elkaar versterken: vergrijzing van de samenleving en versnelling van medische kennis en kunde (met steeds duurdere behandeling en medicijnen).

Op allerlei manieren krijgen mensen nu van hulpverleners en beleidsmakers te horen dat ze vooral ook zélf moeten werken aan vergroting van hun eigen veerkracht. Het is ook niet niks wat de komende maanden en jaren op ons afkomt. Diverse media schetsen een doemscenario. Het geld, mínder geld, voor de jeugdzorg en ouderenzorg wordt per 1 januari verdeeld door gemeenten, en niet langer uit één landelijke miljardenpot. Zorgverzekeraars krijgen steeds meer te zeggen over welke dokters, op welke plek, wanneer en tegen welk tarief hun zorg mogen verlenen. Mantelzorgers moeten taken overnemen van professionals.

Tegen deze achtergrond valt steeds vaker het woord veerkracht. Of, wanneer het specifiek over ouderen gaat: vitaliteit.

Te hooi en te gras heb ik eens wat artikelen en boeken doorgenomen over veerkracht en vitaliteit. Toen viel me iets op. Opmerkelijk vaak zijn die begrippen te ontbinden in vier factoren. Is veerkracht ook hier: vierkracht?

Reeds de oude hindoes zagen dat een mens z’n krachten, elk op een verschillende manier, moet verdelen over vier levensfasen: die van leren en studeren, van gezins- en gemeenschapsleven, van kennis en ervaring overdragen en, tot slot, van loslaten en mediteren. Volgens Elisabeth Kübler-Ross (1926-2004), Zwitsers-Amerikaans psychiater, bestaat ieder mens uit vier ‘lagen of lichamen’: het fysieke, het mentale (rationele), het emotionele en het spirituele.

En neem, laatste voorbeeld, de moderne zorgdossiers. De meeste kennen tegenwoordig vier hoofdstukken, ‘levensdomeinen’ genoemd: de fysieke conditie van de patiënt/cliënt, de mentale, de woon-/leefsituatie en participatie.

Het zijn een beetje afstandelijke termen. Maar in de kern is dit wel een heldere afbakening van het speelveld waarop de mens z’n leven leeft. Dit vier-krachtenveld valt ook anders te verwoorden. De levensvragen van de mens vallen in vier categorieën uiteen: ik- en wij-vragen, fysieke en mentale kwesties.

Als indeling mag dit aardig kloppen, maar hoe verhouden die vier dimensies zich tot elkaar? Het spanningsveld tussen ‘ik’ en ‘wij’ is helder: ieder mens heeft enerzijds z’n karakter en levensloop om mee te dealen en anderzijds rekening te houden met z’n familie, vrienden, collega’s, buurtgenoten, clubgenoten. De wisselwerking tussen fysieke en mentale conditie daarentegen is ingewikkelder in kaart te brengen. De ene mens gaat direct na een chemokeur gewoon naar z’n werk, de ander blijft bij een verstopte neus al in z’n bed liggen.

In dit laatste schuilt dé uitdaging voor de gezondheidszorg in de komende jaren. Valt objectief te meten hoeveel professionele zorg een mens nodig heeft en hoeveel veerkracht hij zelf en zelfstandig (nog) kan ontwikkelen?

Gezocht, kortom: een vierkrachtmeter.