Dudamel nuchter in Mahler

De Zevende symfonie van Mahler is een rit van tachtig minuten door een spookhuis, met goede afloop. Meteen in het roeiende ritme van de lugubere openingsmaten wordt de luisteraar meegevoerd naar een nachtelijke wereld, waar strijkers krioelen, piccolo’s ijselijk trillen en onzichtbare koebellen lokken. Gustavo Dudamel, tot voor kort op het lijstje ‘gewenste maar onbereikbare nieuwe chefs van het Concertgebouworkest’, voerde Mahler 7 uit met zijn Simón Bolívar Symphony Orchestra of Venezuela. Dit voormalige jeugdorkest haalde een deel van het supertalent uit de sloppenwijken. De jongvolwassen leden houden stand in de berucht complexe partituur. Maar het rouwende roeiritme klinkt wel wat nuchter, en de talloze tempowisselingen worden trouw maar ook wat bestudeerd gevolgd. Fraaie momenten: het donkere duet tussen tenorhoorn en trombone, komisch tokkelende gitaar en mandoline, een triomffinale met pompeuze bravoure.