De Harpij van A.N. Ryst laat je beduusd achter

De (tot voor kort) onbekende schrijver A.N. Ryst deed twintig jaar over een raar boek, vol verhaallijnen, personages en verwikkelingen. De duivel die het verhaal vertelt, houdt je aan het lijntje.

Een man die zich ‘Sjamaan Kat’ noemt keek naar de zonsondergang op het festival Burning Man, in de Amerikaanse staat Nevada in 2013.Foto Reuters

Wie is A.N. Ryst? Dat leek op voorhand de spannendste vraag over de vuistdikke roman De harpij, waaraan de auteur volgens zijn uitgeverij ‘meer dan twintig jaar in stilte gewerkt’ heeft. Verder hult de schrijver zich in nevelen. Het is iemand die onder pseudoniem publiceert, wordt gefluisterd.

In elk geval lijkt het eerste boek van Ryst in geen enkel opzicht op de gemiddelde Nederlandse eersteling: hier geen grootstedelijke navelstaarderij, maar een fantasy-achtige legende, die soms aanvoelt als een Griekse mythe, dan weer als een middeleeuwse ridderklucht, een sprookje of een apocalyptisch tafereel dat doet denken aan de middeleeuwse schilder Jeroen Bosch. De harpij is tegelijk zo rijp en doordacht en doet zo’n waanzinnig grote greep, dat je wel van ‘volledig’ kunt spreken. Een ander zou met dit materiaal een oeuvre kunnen vullen. ‘Een kleine geschiedenis van het paradijs’ luidt dan ook de ondertitel – al is dat ‘kleine’ ook ironisch, voor een boek van deze omvang. Dat is tekenend voor het type boek dat De harpij is: alles moet serieus genomen worden, al kan er ook serieus om gelachen worden.

Het verhaal begint als een onbestemde man opduikt in de Californische woestijn; deze Maradique zegt een duivel te zijn en begint aan de onderzoekende dokter Gossmeier en een opgesnorde tolk een verhaal uit de doeken te doen over, inderdaad, het paradijs. Het heet hier Boon-Tee. En Maradique vertelt zonder enige bescheidenheid: in vijftien sessies ontspinnen zich talloze verhaallijnen, er is een onnoemelijke hoeveelheid personages, vreselijk veel verwikkelingen. Een van de belangrijkste personen in het oerbos dat Maradique in zijn verhalen optrekt is Binuel, een heengezonden engel, die zich samen met een verloren dichter aan de rand van de wereld vestigt, buiten de samenleving. Het is er paradijselijk.

Ondertussen zijn uit het landinwaarts gelegen dorp Kuonen alle mannen vertrokken. De dichter fungeerde daar als de heimelijke dorpsgigolo. Zijn vertrek en het einde van de vele buitenechtelijke affaires met hem betekenen ook het einde aan een broos evenwicht. Nu dringt de labbekakkerigheid van de echtgenoten volledig door, en de vrouwen zetten alle mannen het dorp uit. Het matriarchaat wordt ingevoerd, en kort gezegd: alles gaat mis.

Een parade van ‘beuzeligheden’

Dat zijn maar twee lijnen, maar ze typeren hoe het verhaal van Ryst zich ontwikkelt. De kwestie die ter tafel ligt is vreedzaam samenleven in de breedst denkbare zin – en de verleidingen waarvoor de mensheid telkens weer valt, juist door in groepen samen te leven. Want ‘waar meerdere mensen samenleven met elkaar, heersen de donkere instincten, heersen achterdocht en wantrouwen, jaloezie en ergernis, vervolging en onderdrukking van het zwakkere’.

Daar gaan de verhalen dan ook over. Eén ervan is de dooierdiscussie – twee buurvrouwen krijgen een hoog oplopende ruzie over de dooier van een ei. Een ‘eierdooier’ heet dat; nee, ‘eidooier’ zegt de andere – ‘Het is toch ook leisteen. En geen leiersteen!’ Het gevolg is een maatschappelijk schisma. Overdreven? De maatschappelijke effecten van deze dooierdiscussie moeten minstens zo serieus genomen worden als die van de iconenverering of de Beeldenstorm, of de zwartepietendiscussie. ‘En zó’, zegt Maradique, ‘door dit soort beuzeligheden, verandert de orde in de wereld compleet…!’

Zo zit De harpij vaker bovenop de wereldgeschiedenis: de parade van ‘beuzeligheden’ toont hoe mensen zijn. En die mensheid wordt flink in haar hemd gezet.

Daaraan ligt een inktzwart mensbeeld ten grondslag, zou je zeggen. Inderdaad is de toon van Maradique sarcastisch, hij monkelt en hij schmiert. De zinnen in De harpij zijn daar ook naar: het is geen stijl van subtiliteiten, maar die van een kampvuurvertelling. Veel van Rysts personages zijn vooral van homerische proporties – geen mensen die je dicht nadert, maar figuren die in een paar karikaturale pennenstreken worden neergezet en toch door hun functie en rol betekenis krijgen.

Het is misschien even wennen. Het is even wennen aan de magische elementen – al gebruikt Ryst die omdat ze in deze wereld nu eenmaal vanzelfsprekend zijn, niet als gemakkelijke smeerolie voor een stroeve plot. Het is ook even wennen aan de stijl vol uitroeptekens en gedachtepuntjes, en aan Maradiques uitspattingen van platheid, flauwheid en sentimentaliteit – maar ja, dat alles past de stem van de duivel nu eenmaal perfect.

Koortsachtig gegrepen

Dat geldt evengoed voor zijn tempo: er gebeurt veel in het boek, duizelingwekkend, tergend veel. Met dokter Gossmeier voelen we mee dat hij wil dat Maradique voortmaakt – en die duivel neemt alle tijd en schept er genoegen in om ons zo lang mogelijk aan het lijntje te houden.

Maar voor wie zich ervoor openstelt: zo koortsachtig gegrepen als de dokter is door deze merkwaardige vertelling, raak je als lezer gaandeweg ook. Je blijft maar luisteren, om óók antwoord te krijgen op de vraag waarom wij, nu, dit alles moeten lezen. Wanneer de harpij uit de titel – een monsterachtige duivelvrouw – net voorbij de helft van het boek ten tonele verschijnt, begint door te dringen wat Ryst aan het doen is. Dit gedrocht is wat er is voortgekomen uit de mensheid. Maar dan blijft nog de vraag: wat is er met Maradique gebeurd, waarom vertelt deze duivel zijn geschiedenis en inzichten aan ons, en waar gaat dit naartoe?

Het is geweldig dat Ryst daar een antwoord op geeft, dat bevredigend visionair is (en niet louter inktzwart) en duidelijk maakt dat al die verhaallijnen nu eenmaal een adequate weergave van de geschiedenis van de mensheid vormen. En het is de worsteling waard. Wie A.N. Ryst is, is niet interessant. Wel: of De harpij zijn definitieve boek is. Ik zou, enigszins beduusd, zeggen van wel.