‘Die Neger’ blijft te afstandelijk

Controversieel stuk wordt door Johan Simons en Münchner Kammerspiele gebracht met maskers.

Scènefoto uit Die Neger van Jean Genet door Münchner Kammerspiele / DeutschesSchauSpielHausHamburg / Wiener Festwochen in de regie van Johan Simons Foto Julian Röder

‘Ons gezicht is geen jakhals die iemand verscheurt’, zegt een van de acteurs in het omstreden stuk Die Neger (De negers, 1958) van de Franse schrijver Jean Genet. Het is een poëtische zin, maar waar is dat gezicht? Verscholen achter een masker. Regisseur Johan Simons vond in maskers de sleutel voor deze „clownerie”, zoals Genet zijn stuk noemde.

Simons’ enscenering verliep gisteravond zonder ongeregeldheden, maar er was wel een groot aantal weglopers uit de zaal.

Naar de vorm is Die Neger een schaduw- of stemmenspel. In een esthetisch ogend decor van witte stroken voltrekt zich het ritueel van een groep zwarten die op gezag van de koloniale overheerser de lustmoord op een blanke vrouw naspeelt. Het is reconstructie en hoogmis tegelijk. De witte en zwarte maskers zijn verdeeld over de spelers. Genet verordonneerde dat Les Nègres door zwarte spelers vertolkt moest worden, voor een blank publiek. Waren er geen blanken voorhanden, dan moesten de toeschouwers witte maskers opzetten.

Aan de eis van een blank publiek voldeed de opvoering gisteren ruimschoots. Kennelijk bereikt dit stuk gekleurde gemeenschappen niet. Dat is een omineus teken.

Geen gemaskerd publiek dus, maar wel gemaskerde spelers. Dat spel-in-toneelspel biedt Genet de mogelijkheid de meest grimmige raciale vooroordelen te debiteren. In het midden van de speelvloer, als op een wit altaar, ligt het dode lichaam van de blanke vrouw; het is vervaardigd van kunststof en gevuld met vloeistof, dat langzaam wegsijpelt. Aan het slot is zij zo goed als verzonken. De Nederlandse acteur Felix Burleson, van Surinaamse af komst, is niet gemaskerd. Hij toont open zijn gezicht en treedt op als toneelmeester die ervoor moet zorgen dat de voorstelling tot een goed einde komt. „Het is maar theater”, roept hij enkele keren ongeduldig uit.

Hij treedt op als verteller, als de klassieke bode, die de meest gruwelijke waarheden debiteert. Het toneelspel is als zijn nachtmerrie.

De visuele eenvormigheid van de spelers maakt identificatie onmogelijk. Alles is stem en tekst, en dat gedwongen luisteren heeft een hypnotiserend effect.

Genets taal is bij vlagen ook verrassend poëtisch in een stuk met zo’n politiek beladen context. De première dit voorjaar tijdens de Wiener Festwochen zorgde aanvankelijk voor veel ophef, maar die ebde snel weg. De recensies waren niet mild. De Neue Zürcher Zeitung (5-5-2014) oordeelde dat Simons „politieke incorrectheid meed als een duivel het wijwater”.

Hoe confronterend de titel van Die Neger ook is en hoe belasterend racistisch tal van passages ook zijn, toch is het stuk er een van vluchtwegen. De nadruk van Genet (én Simons) op de invalshoek dat het „maar theater is”, maakt de vertoning afstandelijk. Aan het slot oordeelt de rechter dat de schuldige veroordeeld moet worden: het schot klinkt vanachter het witte scherm. Aan de voorzijde doodt de verteller de zwarten, althans, in taal: hij zingzegt hen de dood in. Dat beeld is van een grote ontroerende kracht, temeer daar de tekst ook een loflied op de kleur zwart is. „Alles wat zacht en teder is, zal ooit zwart zijn: melk, suiker, rijst, duiven, sneeuw”, celebreert een van de actrices. „En de hoop”, besluit Burleson.

Meer en meer snakte ik ernaar dat de spelers hun maskers zouden afleggen: een indringend gebaar, dat niet theatraal zou zijn, maar noodzakelijk, eerlijk en schokkend. Dan konden zij ons, de zaal, in de ogen zien. En ons de pijn geven die zwarte mensen eeuwenlang hebben ondergaan.