De stad volgt de regels, de staat niet

Alleen lokale overheden volgen nog de internationale verdragen over de opvang van vluchtelingen. Teeven heeft dat opgegeven, vindt Barbara Oomen.

Als de recente ‘bed, bad en brood’ uitspraak over ‘illegalen’ een ding laat zien dan is het hoe belangrijk lokale bestuurders langzamerhand worden voor de mensenrechten. Dit deels omdat Den Haag het soms simpelweg vertikt om de eigen afspraken na te komen. Maar ook omdat gemeenten vandaag nu eenmaal belangrijker zijn dan ooit, en als geen ander kunnen inschatten wat écht belangrijk is in het sociale domein.

Waar ging het ook alweer om? Technisch ging het over de vraag of Nederland verdragsrechtelijk gehouden is om iedereen in dit land een minimale levensstandaard te bieden. Toegang tot basale gezondheidszorg, onderdak, voedsel en kleding – ook, bijvoorbeeld, voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Praktisch gaat het over de mannen die slapen op betonnen vloeren in dichtgespijkerde gebouwen, levend uit de vuilnisbak, met permanent honger, kou en slaapgebrek. Over de vrouwen die in totale afhankelijkheid uitgebuit worden, ook seksueel, omdat zij nergens anders naartoe kunnen. Over mensen, vaak in de war en kwetsbaar, die niet naar de dokter durven en in de polder leven, diep onder de armoedegrens.

Het oordeel van het Europees Comité voor Sociale Rechten dat Nederland hiermee de mensenrechten schendt dateert al van juli. De keuze van staatssecretaris Teeven om, pas in reactie op de publiciteit, nog een paar maanden tijd te kopen door te wachten op het Comité van Ministers is onbegrijpelijk. Menselijkerwijs, met de winter in aantocht. Juridisch, omdat iedere jurist – ook bij Veiligheid en Justitie – heel goed weet dat de staatssecretaris niet onder de uitspraak uit zal kunnen. De rechten waar het om gaat, zijn immers ook op heel veel andere plaatsen bindend verankerd.

Om maar een greep te nemen: met het tekenen van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten en het Handvest Grondrechten van de Europese Unie beloofde Nederland ook al om zo de waardigheid van ieder mens te respecteren.

Het bemoedigende nieuws is echter hoe gemeenten op dit gebied wél hun verantwoordelijkheid nemen. Naar schatting zestig gemeenten hebben betrokken burgemeesters, wethouders met gevoel voor de menselijke waardigheid en raadsleden die inzien dat niemand in een park hoort te slapen, beschimmeld brood hoeft te eten of verkracht mag worden in ruil voor onderdak. Zij weten dat dit niet goed is voor de openbare orde, maar ook niet voor het geweten.

Soms bieden zij stiekem noodopvang en voedselhulp, soms doen zij het openlijk – zoals Den Haag en Utrecht. Deze gemeenten houden niet alleen de regering een spiegel voor maar nemen ook de verantwoordelijkheid die past bij de sociale rol die zij kregen met de decentralisaties.

Zij sluiten daarmee aan bij een wereldwijde trend. Steeds meer steden baseren hun lokaal beleid expliciet op internationale verdragen. Ook, en soms juist, waar de nationale overheid dit niet doet. San Francisco implementeert het Vrouwenverdrag dat de Verenigde Staten nog moeten ratificeren. Barcelona heeft een aparte mensenrechtenafdeling binnen de gemeente. Zwolle ratificeerde alvast symbolisch het Gehandicaptenverdrag, in afwachting van Den Haag. Terwijl staten nog steeds verdragen sluiten, zorgen steden er steeds meer voor dat mensen ook echt iets hebben aan de rechten die erin staan.

Natuurlijk ligt er iets cynisch in het feit dat lokale bestuurders zich moeten beroepen op internationale verdragen om, tegenover de eigen overheid, de mensenrechten te mogen respecteren. Maar het is goed om te weten dat – met diezelfde winter in aantocht – juist gemeenten inzien waar het echt om gaat op sociaal gebied. Dat mensenrechten, zoals het recht op opvang, voedsel en basale gezondheidszorg, gelden voor alle mensen. Ook, of misschien zelfs juist, voor die mensen die – in de woorden van filosoof Agamben – niets hebben dan hun ‘naakte leven’.