Bij Bowie is morgen weer alles anders

Voor David Bowie bestaat alleen de toekomst. De overzichtstentoonstelling in het Londense Victoria & Albert Museum van vorig jaar (volgend jaar december in het Groninger Museum) gedoogt hij, maar op een feestje zal hij onmiddellijk rechtsomkeert maken als daar een van zijn oude platen gedraaid wordt.

Het is opmerkelijk dat Bowie (67) bij zijn vijftigjarig artiestenjubileum alle medewerking verleent aan de compilatie Nothing Has Changed, die een duizelingwekkend beeld geeft van de veranderingen die de grootste kameleon uit de pophistorie heeft doorgemaakt.

Een dubbelpee en een 2cd-versie (allemaal met dezelfde titel) verzamelen de hoogtepunten in min of meer chronologische volgorde. Het is de 3cd-box die de signatuur van David Bowie als ad-hochistoricus van zijn eigen artiestenleven het meest weerspiegelt.

In omgekeerde chronologie begint het met de enige nieuwe song, het bijna acht minuten lange Sue (Or In A Season Of Crime) waarin Bowie zich voor het eerst waagt aan jazz. Zwaar experimentele jazz zelfs, met verheven zang in de lijn van Scott Walker en een uitdagend arrangement van de Amerikaanse bandleider Maria Schneider en haar Orchestra. Het is muziek die het nodige vraagt van de luisteraar en die alle kanten op gaat, behalve die van de hitparade. Let’s Dance strooit zijn vertrouwde hitgevoeligheid pas op de tweede cd.

Uit het recentere werk zijn Slow Burn en Hallo Spaceboy ondergewaardeerd als Bowieklassiekers. Onderhuids is er altijd de soul in zijn stem, al was hij ten tijde van Station To Station (1976) een meester in koele afstandelijkheid en noemde hij de periode van Young Americans zijn fase van „plastic soul”. In Ashes to Ashes en het onder de Berlijnse Muur gesitueerde Heroes is Bowie zo bezielend als popmuziek kan zijn, met de invloed van machinale Krautrock als leidraad.

Zijn glorieperiodes als ‘The Thin White Duke’ en Ziggy Stardust komen in achterwaartse vogelvlucht aan bod, met de demo-opname van All the Young Dudes als afgestoft juweel tussen de hits Rebel Rebel, Starman en The Jean Genie. Pas helemaal aan het eind wordt teruggeblikt op zijn vroegste periode van Space Oddity en de rauwe rhythm & blues van Liza Jane; toen nog als Davie Jones & The King Bees.

Bij David Bowie weet je maar één ding zeker: dat morgen alles weer anders zal zijn.