Asscher begreep ons rapport over Turken verkeerd

Je vraagt ook niet aan de katholieke kerk of ze integratie van katholieken bevordert, aldus Thijl Sunier en Nico Landman.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

In de PvdA is een conflict uitgebroken dat vorige week culmineerde in het uit de partij zetten van twee Kamerleden van Turkse afkomst. Een van de aanleidingen is de brief die minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) op 25 september naar de Kamer stuurde, tezamen met een onderzoeksrapport over Turkse islamitische organisaties. Als auteurs van dat rapport vinden wij dat de minister geen recht doet aan onze bevindingen. We realiseren ons terdege dat wetenschappelijke diepgang, ambiguïteit en nuance zich vaak moeilijk verdragen met de hogedrukpan van de politiek, maar juist dan moet de complexiteit van de problemen worden erkend en niet van tafel worden geveegd. We willen drie punten bespreken: het integratie-effect, waarden-consensus, en transparantie.

Wat is de invloed van islamitische organisaties op het integratieproces? Dit was de hoofdvraag van het literatuuronderzoek dat wij in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken hebben uitgevoerd. Het rapport heeft niet de resultaten opgeleverd die hij voor ogen had, stelde de minister in de brief vast. Naar onze mening hebben we wel degelijk een antwoord gegeven op de centrale onderzoeksvraag, maar dat antwoord is niet zwart-wit.

Wij hebben met behulp van het politicologische begrippenpaar ‘bonding’ en ‘bridging’ het integratie-effect van de organisaties geanalyseerd. ‘Bonding’ verwijst naar activiteiten gericht op de eigen gemeenschap, terwijl ‘bridging’ gaat om de verbinding met de omringende samenleving. Er bestaat een sterke onderlinge samenhang tussen deze beide typen activiteiten en wel op zo’n manier dat ze elkaar versterken. Turken zijn van alle voormalige migrantengemeenschappen het best georganiseerd, en ze participeren ook het meest intensief in de samenleving. Dat is niet toevallig, dat hangt met elkaar samen. Bonding en bridging sluiten elkaar dus niet uit; het is niet of/of. Turkse islamitische organisaties houden zich natuurlijk primair bezig met religieuze activiteiten. Dat is hun bestaansrecht. Gemeenschapsvorming en verbondenheid, ook met geestverwanten buiten Nederland, hoort daarbij, maar dat gaat samen met een toenemende participatie aan de samenleving. In de brief verwijst de minister alleen naar die gemeenschapsvorming en negeert dus de samenhang met participatie.

De eis dat islamitische organisaties een bijdrage leveren aan de integratie van Turkse Nederlanders is nogal merkwaardig. Het zijn religieuze organisaties die primair tot doel hebben een religieuze overtuiging uit te dragen en daarnaar te leven. Zij doen dat binnen het kader van de grondwettelijk vastgelegde godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging. Het gaat niet om organisaties die voor integratiebevordering zijn opgericht. Je vraagt ook niet aan de katholieke kerk of ze de integratie van het katholieke volksdeel bevorderen. Bovendien maakt de politieke beladenheid van het beleidsprincipe integratie het op voorhand moeilijk om die vraag te beantwoorden. Je zou je zelfs kunnen afvragen of de overheid zich hier niet bemoeit met iets waar ze grondwettelijk en met inachtneming van de scheiding van kerk en staat helemaal niets over kunnen zeggen.

Doen deze organisaties dingen die ongewenst of onwettelijk zijn? En onderschrijven ze de kernwaarden van de Nederlandse samenleving? Dat was ook een van de vragen die moest worden beantwoord. Wij hebben vastgesteld dat er geen enkele reden bestaat om te veronderstellen dat er onwettige praktijken plaatsvinden. Bovendien biedt de grondwettelijke vrijheid van godsdienst en geweten de mogelijkheid een manier van leven uit te dragen die anderen in de samenleving wellicht onwenselijk vinden. Als je die vrijheid hoog in het vaandel hebt staan, dan moet je ook accepteren dat de samenleving er pluriformer gaat uitzien en dat de wereld niet ophoudt bij de grenzen van Nederland. De veelgehoorde stelling dat moslims er als collectief geheel afwijkende opvattingen op na houden en ‘de Nederlandse kernwaarden’ niet onderschrijven, doet geen recht aan de diversiteit onder moslims, maar suggereert ook dat daarover in de rest van de samenleving wel consensus bestaat. Dat lijkt me een tamelijk onhoudbare veronderstelling. Door het begrip ‘parallelle gemeenschappen’ in een breder historisch perspectief te plaatsen hebben we duidelijk willen maken dat parallelliteit en diversiteit de basis vormen van een pluriforme en democratische samenleving en als een rode draad door de recente Nederlandse geschiedenis lopen. Dat heeft een specifieke politieke cultuur opgeleverd die vaak wordt geassocieerd met verzuiling, maar ook breder is. Islamitische organisaties passen in die cultuur.

Wat betreft de transparantie. De minister stelt dat wij daaraan een gebrek constateerden. Dat ligt iets anders. We verwezen naar literatuur waarin dit wordt gezegd, maar ook naar literatuur die deze stellingname bestrijdt. In de conclusies pleiten we voor transparantie en wederkerigheid. Duidelijk moet zijn waar je voor staat en dat dit een belangrijke basis is voor onderhandelingen en overleg. Dat geldt voor beide partijen. De overheid meent kennelijk dat het daaraan ontbreekt bij islamitische organisaties, maar die organisaties vinden op hun beurt dat ook de overheid niet transparant is over haar intenties.

Islamitische organisaties zijn een integraal onderdeel van de samenleving en hoeven hun aanwezigheid niet te rechtvaardigen. Dat verschaft hen rechten, plichten en verantwoordelijkheden, maar niet om te bewijzen dat ze hier mogen zijn. Juist in tijden waarin radicalisering zorgen baart, moeten deze organisaties als bondgenoten worden beschouwd en niet steeds als een probleem. Een open, transparante en vooral coöperatieve houding aan beide kanten is productiever dan de verdachtmakingen die nu het debat bepalen.