Wie wil er nog op tennis?

De tennisbond heeft zaterdag het jaarcongres. Er zijn veel zorgen: steeds minder mensen tennissen.

Jo Senten en Wiel Metsemakers spelen bij tennisclub Volharding in het Limburgse Meerssen. Begin 2000 had de club 340 leden, nu nog maar 180. Foto’s Hollandse Hoogte

Ieder jaar verliezen ze er tientallen. Tennisvereniging Thor de Bataaf in Den Haag is met 1.500 leden een van de grootste clubs van Nederland, maar ze hebben het moeilijk. Het gaat hard met tennissers die vertrekken. Ter vergelijking: in 2010 hadden ze nog ruim 1.700 leden.

De club is populair onder expats. Maar zij verlaten de stad door de economische crisis. En daar heeft de Haagse tennisclub last van. Nieuwe leden werven? Nee, daar steekt de club geen tijd meer in, zegt voorzitter Loek de Gruijter. Dat kost zoveel energie, en het levert bijna niks op. Leden behouden, daarop ligt nu de focus. Binnenhouden wat je kan.

De tennissport in Nederland kraakt. De elitesport die van oorsprong voor de hogere middenklasse was. De sport van tennishelden Betty Stöve, Tom Okker en Richard Krajicek. In ledenaantal altijd de stabiele tweede sportbond van het land, achter voetbal. Maar zo stabiel zijn de ledenaantallen de laatste jaren niet meer.

Het ledenbestand van de tennisbond KNLTB slinkt. Het aantal spelers dat is aangesloten bij een tennisvereniging is de afgelopen jaren hard gedaald: van ruim 697.000 in 2009 naar 626.000 vorig jaar. En de krimp zet door, verwacht de tennisbond: dit jaar met zo’n 22.000 leden.

Imago

Zaterdag is het jaarcongres van de tennisbond op nationaal sportcentrum Papendal. De ledendaling is een van de onderwerpen die besproken zal worden: hoe moet een verdere neergang voorkomen worden?

In het Jaarplan 2014 spreekt de KNLTB over de „geringe zichtbaarheid van de organisatie” en een „onduidelijk imago”. Ook is er bezorgdheid over de „ondermaatse positie van tennis en de KNLTB”.

Er zijn twee belangrijke oorzaken voor de daling, zegt Hugo van der Poel, directeur van het Mulier Instituut. Hij doet momenteel onderzoek naar de ledendaling voor de bond, het rapport moet in februari verschijnen.

Eerste probleem is de vergrijzing. Tennis is groot geworden in de jaren zeventig en tachtig. Tot die tijd was het een elitaire sport, onbereikbaar voor de middenklasse.

Dat veranderde toen de inkomens van burgers stegen. De sport werd populair onder een groot deel van de bevolking. Tennisparken werden aangelegd, de ballotage verdween bij veel clubs en met de invoering van de vijfdaagse werkweek in 1961 werd zaterdag een vrije dag die aan sport kon worden besteed. Tennis was – in tegenstelling tot voetbal – óók populair onder vrouwen en groeide zo uit tot een sport voor het hele gezin. In twintig jaar tijd – tussen 1970 en 1990 – steeg het ledenaantal explosief, zegt Van der Poel: van zo’n 100.000 naar 700.000.

Een deel van de mensen die in die jaren begon met tennis, is inmiddels op een leeftijd gekomen dat ze noodgedwongen hun lidmaatschap moeten beëindigen: ze kunnen het fysiek niet meer aan. Van de mensen die stoppen met tennis geeft dertig procent blessures en gezondheid op als reden, zo blijkt uit een interne enquête van de bond, zegt Van der Poel. Dat zijn vooral vijftigplussers.

Tweede probleem is instroom van de jeugd. Tennis is voor veel jongeren de tweede sport, naast voetbal of hockey, zegt Van der Poel. Veel gezinnen hebben het financieel lastig door de economische crisis, ouders vragen hun kinderen een keuze te maken: tennis óf voetbal of hockey. Van der Poel: „Dan valt tennis meestal af omdat ze liever voor een teamsport kiezen.”

Krimpgebieden

Tennisclubs merken de gevolgen, zo blijkt uit het onderzoek. Het aantal verenigingen daalde sinds 2006 met zestig, tot 1.708 dit jaar. Clubs in de Randstad houden het vol, het zijn vooral de verenigingen in de periferie die het zwaar hebben, zegt Van der Poel. Zoals in krimpgebieden Zuid-Limburg, Noord- en Oost-Groningen en Zeeuws-Vlaanderen. Om het hoofd boven water te houden zijn er verenigingen die hun contributie verhogen.

Het gaat niet overal slecht. Zoals in Amsterdam, zegt Tom Kleijwegt, eigenaar van tennisschool Tennis Op Maat. Hij verzorgt met zijn school de lessen op acht verenigingen in de hoofdstad. Jaarlijks volgen zo’n 2.000 tennissers lessen bij hem. Dat het relatief goed gaat met zijn tennisschool, komt volgens Kleijwegt doordat hij veel tijd steekt in ledenwerving.

Hij zocht contact met de stadsdelen, die de sport steunden met subsidies. En hij gaat langs scholen om leerlingen enthousiast te maken voor de sport. Daarna biedt hij ze introductielessen aan tegen een gereduceerd tarief – zo is de drempel lager voor ouders. Alles om maar nieuwe kinderen te werven.

Ook steekt hij veel energie in het behouden van leden. „Na een jaar of twee stoppen veel leden, omdat ze zich niet thuis voelen bij de club.” Door extra aandacht te geven aan leerlingen en het creëren van teams die onderling spelen, stoppen minder mensen in de eerste jaren met tennis.

Laagdrempelig

De KNLTB probeert al langer op verschillende manieren de dalende trend te keren, zegt voorzitter Rolf Thung, topspeler in de jaren zeventig en tachtig. Zo moet de sport laagdrempeliger worden voor kinderen. Tennis is vrij technisch, voordat je goed kan spelen ben je doorgaans een paar jaar en veel dure lesuren verder.

Om het voor startende kinderen makkelijker te maken, begon de bond twee jaar geleden met het zogeheten Tenniskids-programma: spelen op een miniveldje met kleine rackets en grote, zachte ballen. Het werkt: 17.000 kinderen in de leeftijd van vijf tot twaalf jaar doen inmiddels mee met wedstrijdjes.

Verenigingen kunnen beter hun best doen om hun leden vast te houden, zegt Thung. Ook hij ziet in onderzoeken dat mensen hun lidmaatschap snel opzeggen. Het is de kunst om nieuwe leden goed op te vangen, aldus Thung. „Zorg dat ze een tennismaatje hebben, bijvoorbeeld door een buddysysteem.”

En de communicatie bij de bond kan beter. In het Jaarplan 2014 staat: „Klanten ondervinden veel, niet op elkaar afgestemde, communicatie-uitingen.” De bond werkt aan een ‘doelgroepenbeleid’, zegt Thung: specifiek op iedere groep, van basisschoolleerlingen tot ouderen.

Boegbeelden

Het ontbreekt aan boegbeelden in het tennis, aan Nederlanders die uitblinken op de grandslamtoernooien. Zoals Martin Verkerk die in 2003 met spectaculair tennis de finale van Roland Garros haalde. Of Richard Krajicek die Wimbledon won in 1996. Juist zo’n tennisser mist de sport momenteel volgens Raymon Janson, hoofdtrainer bij tennisvereniging Kattenlaan in Amsterdam Oud-Zuid. „De jeugd identificeert zich met zo’n speler, die heeft een enorme aantrekkingskracht.”

De beste Nederlanders nu? Robin Haase en Igor Sijsling, respectievelijk nummer 84 en 85 op de wereldranglijst. En bij de vrouwen staat Kiki Bertens 69ste.

De ledendaling heeft financiële gevolgen voor de bond. De financiële positie is gezond, met 6,3 miljoen euro aan algemene reserves. Maar er zijn zorgen. Contributies (kosten bij club: tussen de 100 tot 250 euro per lid) zijn de belangrijkste inkomstenstroom van de KNLTB. Per lid draagt iedere vereniging 15 euro af aan de bond.

Die inkomsten dalen nu hard. Ook is de ledendaling van invloed op de subsidiebaten, want die zijn gebaseerd op het ledenaantal van een bond. De bond voerde de afgelopen jaren al een reorganisatie door: in aantal fte gingen ze terug van 117 in 2009 naar 97 in dit jaar.

Ook de sponsorinkomsten staan onder druk. De KNLTB zoekt al sinds begin 2012 naar een nieuwe hoofdsponsor. De bond hoopt uiterlijk in 2016 een nieuwe geldschieter te presenteren. Maar in het eigen Jaarplan 2014 staat: „De KNLTB mist op dit moment het imago om een nieuwe hoofdsponsor aan zich te binden.”