We zijn er allemaal ingetrapt: die trap bestaat

Was die trap die omhoog loopt wel een verzinsel? Niet helemaal: Escher baseerde hem op de trap in zijn oude school. Wat bleek: de verveling die hij voelde als puber zette hij om in verwondering.

Hij blonk uit in onmogelijkheid. De Nederlander Maurits Cornelius Escher (1898-1972) staat niet bekend als een kunstenaar die naar de realiteit tekende. Trappen die omhoog lopen maar tegelijkertijd ook omlaag, handen die zichzelf tekenen, holle vormen die ook bol blijken te zijn – prenten waarvan je hersenen dol draaien als je er lang naar kijkt.

Onmogelijk? Er zit meer werkelijkheid in die onmogelijkheid dan we tot nu toe dachten. Nee, de oneindige trappenhuizen bestaan niet echt. Maar totale verzinsels van het ‘wiskundige genie’ – dat waren het nu ook weer niet.

Van Escher wordt over het algemeen gezegd dat hij alleen in zijn vroegste tekenperiode inspiratie haalde uit de wereld om hem heen. Dat waren de jaren dat hij les kreeg aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten in Haarlem en de eerste tien jaar erna, toen hij in Italië woonde. Hij tekende toen bijvoorbeeld nog ‘gewone’ Italiaanse landschappen, portretten van familie en vrienden, een palmboom, een fluorescerende zee en de Sint Pieter in Rome.

Maar dat is niet het werk waarmee hij beroemd is geworden. Hij veroverde de wereld met zijn latere houtsneden en litho’s: prenten van oneindige labyrinten. Van semiwiskundige grapjes. Van optische illusies en onmogelijke constructies.

„In de vakliteratuur over Escher wordt over het algemeen gesteld dat hij in 1935 stopte de werkelijkheid te tekenen”, zegt Micky Piller, de conservator van museum Escher in Het Paleis in Den Haag. „Dat is ook het jaar waarin hij uit Italië vertrokken is. Toen zou hij zijn overgestapt van ‘landscapes’ op ‘mindscapes’, landschappen van de geest.”

Ze kwamen niet puur uit zijn geest

Maar Piller herkende meer werkelijkheid in de prenten. Vorig jaar ontving zij een telefoontje van een oud-leraar van de hbs in Arnhem, waar Escher van 1912 tot 1918 leerling was. „Hij nodigde me uit om te komen kijken in het oude schoolgebouw. Je zult versteld staan, zei hij. Dat was ook zo.”

De oude hbs, een rijksmonument aan de Schoolstraat, bevat een indrukwekkend trappenhuis dat een opvallende gelijkenis vertoont met de prenten met trappen en labyrinten die Escher maakte. Niet alleen de markante, door schaduwen geaccentueerde trappen, maar ook de doorgangen en de wit betegelde muren herken je direct uit zijn werk.

Piller: „Een aantal labyrintische prenten waarvan altijd werd gedacht dat ze puur in zijn geest waren ontstaan, vindt dus zijn oorsprong in de werkelijkheid.”

Het was voor de conservator reden genoeg om de tentoonstelling van Eschers werk in het museum opnieuw in te richten. Vandaag opent de expositie in Den Haag, met als titel ‘Verwondering, of hoe verveling een optische illusie wordt’. „Mauk, zoals Escher werd genoemd, had een hekel aan school”, legt Piller uit. „Hij ging steeds maar net over. Alleen in de tekenlessen had hij plezier. In de tweede klas bleef hij zitten en uiteindelijk zakte hij in 1918 voor zijn eindexamen.”

De vraag is: waarom heeft Escher uit het trappenhuis van de school die hij zo verfoeide, later als kunstenaar toch keer op keer ‘geciteerd’? En waarom maakte hij die prenten niet al in de eerste jaren na school, maar pas dertig jaar later? Want hij verwerkte zijn indrukken van de school pas tussen 1947 en 1955 in een reeks prenten, zoals Andere wereld (1947), met de doorgangen en bogen uit de school. In Boven en onder (1947) en Hol en bol (1955) herkennen we de doorkijkjes, en het trappenhuis van de school keert terug in Trappenhuis (1951) en Relativiteit (1953).

Piller heeft het raadsel opgelost. „Escher werd in 1946 gevraagd een herdenkingsplaquette te maken voor de oorlogsslachtoffers onder de leerlingen. Hij is toen voor het eerst na al die jaren terug geweest naar zijn oude school. Toen keek hij met heel andere ogen naar het gebouw. De verveling van de puber veranderde in verwondering over wat je in zo’n trappenhuis allemaal kunt laten gebeuren.”

In Arnhem was onder mensen die de hbs hadden bezocht het verband tussen het trappenhuis en de prent Relativiteit wel bekend. Maar tot Escherkenners drong het niet echt door – althans: ze schreven daar nooit over. Andere wereld bijvoorbeeld associeerden zij met Italië, omdat Escher daar had gewoond.

Maar het werd anders dan in het echt

Nooit tekende hij het trappenhuis precies zoals het was. „Ik kan het niet laten om met onze onomstotelijke zekerheden te sollen”, zei Escher in 1963 in een toespraak. „Het is bijvoorbeeld een plezier om willens en wetens twee- en driedimensionaliteiten, plat en ruimtelijk, door elkaar te haspelen en om met de zwaartekracht de draak te steken. Weet u wel zeker of een vloer niet tevens een plafond kan zijn? Bent u er vast van overtuigd dat u hoger komt, als u een trap oploopt?”

Het voormalige schoolgebouw is recentelijk verbouwd; er wonen nu studenten in. Daardoor is het voor het publiek niet toegankelijk. Toch kun je het bekijken: in het museum in Den Haag zijn de muren behangen met levensgrote foto’s, zodat je letterlijk met Escher naar boven en beneden kunt meekijken. De ruimte die je dan ziet, herken je direct in de prenten in de volgende museumzaal.