Waarom zijn er na de apocalyps toch nog accu’s en plukjes staalwol?

Lewis Dartnell denkt dat binnenkort de wereld vergaat en nu heeft hij een handboek geschreven voor de overlevenden.

Hoe bouw je opnieuw een beschaving op nadat die monstermeteoriet insloeg of de totale kernoorlog uitbrak. Of nadat ebola zich wereldwijd verspreidde. Het is maar een gedachtenexperiment zegt hij, maar dat meent-ie niet, want daarvoor zijn z’n aanwijzingen te serieus.

Er is trouwens niets tegen een gedachtenexperiment als de uitgangspunten en randvoorwaarden maar helder zijn, dan kunnen we allemaal meedenken. Jammer genoeg wil niet duidelijk worden van wat voor catastrofe we precies moeten herstellen en hoe lang die al geleden is.

Na de Ramp zijn er nog 10.000 mensen in Engeland over, zegt Dartnell losjes. Maar of er in Duitsland nog 10.000 Duitsers zitten? Of er nog koeien en kippen zijn? Bruikbare woningen? Dat krijgen we niet te horen.

De elektriciteitscentrales zijn uitgevallen, de batterijen leeg, de gaskraan geeft geen gas, de waterkraan geen water. Er is geen benzine, geen kerosine, de trein rijdt niet, de boer boert niet, de bakker bakt niet, enzovoort. Tot overmaat van ramp verzamelden zich in de steden zoveel dorre bladeren en oude kranten dat die na blikseminslag in brand vlogen. De archieven die niet verbrandden, gingen verloren aan waterschade want ’s winters vroren alle waterleidingen kapot – hoewel er goedbeschouwd geen druk meer was. Hoe dan ook: ál onze technische kennis is opeens weg.

Wat nu? Gauw alles opnieuw bedenken, zou je zeggen, maar zo makkelijk gaat dat niet. De mensheid profiteert al tweeduizend jaar van arbeidsverdeling en specialisatie en dat breekt haar nu op. Tussen die 10.000 Engelsen zitten waarschijnlijk geen mensen die een olieraffinaderij kunnen ontwerpen, bouwen of bedienen. De kans is groter dat er alleen mensen met onnutte vaardigheden overbleven: beleggers, programmeurs, tv-makers, topmodellen, topkoks, dj’s, voetballers, journalisten. Wat heb je er aan als er geen eten of drinken is.

Hier schiet Dartnell te hulp met zijn aanwijzingen voor de doorstart. Hij onderwijst ons de basisvaardigheden. Textiel wordt geweven op een weefgetouw, legt hij uit, maar eerst moet je draden spinnen op een spinnewiel. Graan maal je met molenstenen, brood bak je in een oven en vuur maak je met een plukje staalwol waar je de stroom van een accu door jaagt. Water steriliseer je door het in een plastic pet-fles in de zon te leggen. Radio-uitzendingen ontvang je met een kristalontvanger die je makkelijk zelf bouwt als je een koptelefoon hebt. We stellen vast dat er na de apocalyps nog plukjes staalwol, intacte accu’s, pet-flessen, koptelefoons en radiozenders waren. Dan zal de Ramp wel een ebola-epidemie geweest zijn.

Dartnells boek, dat noch onbrandbaar noch waterbestendig is, is een mix van Robinson Crusoe, Jules Verne en de SAS-survivalgids. Het is ook wel omschreven als een vehikel voor een toegankelijke beschrijving van de geschiedenis van de techniek, maar in dat opzicht faalt het volledig. Er is ook geen behoefte aan.

Staat er dan niets in dat de moeite waard is? Nee. Of toch: die truc met de pet-fles in de zon, die heet SODIS (solar disinfection) en hij werkt echt volgens de WHO. Als de zon schijnt, natuurlijk.