Voor Zwarte Piet en toneel geldt nu: wat is een neger?

De Sinterklaasintocht is tegenovergesteld aan het gelijktijdige toneelstuk van Genet „De Negers”. Het stuk confronteert over kleur maar Sinterklaas mag geen politieke toogdag worden, bepleit Stephan Sanders.

Dit weekend trakteert theaterregisseur Johan Simons ons in de Amsterdamse schouwburg op zijn visie op het toneelstuk van Jean Genet Les Nègres, nog steeds spraakmakend en toch uit 1958.

Dit weekend wordt ook de Sint ingehaald in Amsterdam, met zijn Pieten, waarvan een substantieel deel niet volledig geschminkt zal zijn, geen oorringen zal dragen en ook niet zal grijnslachen met dik aangezette rode lippen. Vanwege, nou ja ... de maatschappelijke discussie. Het is zo goed als ondoenlijk die (Zwarte) Pieten-kwestie nog onbevangen tegemoet te treden: de loopgraven zijn betrokken, Piet- bestormers en –beschermers hebben zich achter hun eigen gelijk verschanst.

Vandaar deze theatrale omweg, want voor beide gelegenheden is het woord van Genet van belang, die zich in zijn tijd afvroeg: „Wat is een neger? En vooral, wat voor een kleur heeft hij?” De uitspraak wordt nog toepasselijker als we er iets meer actualiteit in leggen. „Wat is een Zwarte Piet? En wat is zijn kleur?” Genet geloofde niet per se dat je het aan een zwarte of ‘neger’ kon zien, geloofde niet dat zijn huidskleur bepalend was.

De term ‘neger’ steekt nu als een graat in menig keel, maar was midden jaren vijftig een volkomen acceptabele aanduiding van zwarte mensen. In Amerika hadden de ‘negroes’ zich juist beijverd om van dat andere, nefaste N-woord af te komen: nikker. De ironie wil dat zwarte rappers en hiphopartiesten het later als koosnaampje gingen gebruiken, mits in de mond genomen door raciale soortgenoten.

Een nog grotere ironie wil dat Johan Simons’ uitvoering van Die Neger deze zomer in Wenen tot protesten leidde van een actiegroep die zich ‘zwarte mensen in de diaspora’ noemt, en die gelooft dat de titel van het stuk met het ‘N-woord’ automatisch leidt tot ‘reproductie van racisme’. En dat terwijl Genets ‘clownerie’, zoals hij het werk omschreef, uitdrukkelijk was bedoeld als een aanklacht tegen racisme en kolonialisme. En die aanklacht klinkt minder gratuit als je bedenkt dat Algerije nog een Franse provincie was en het land zich kon laten voorstaan op het bezit van maar liefst zeventien Afrikaanse koloniën.

Les Nègres ging in oktober 1959 in première in Parijs, onder regie van Roger Blin. Er stonden dertien zwarte acteurs op het toneel, een novum in die tijd, en vijf van hen waren wit geschminkt. Zij vertegenwoordigden de macht, het gehate establishment, in de ogen van de romantische revolutionair Genet. „Het stuk is niet geschreven voor zwarten, maar tegen blanken”, liet de auteur triomfantelijk weten. Tegen zichzelf dus, zou je naïef concluderen, maar Genets ‘neger’ moest vooral begrepen worden als een symbool voor alles en iedereen die je tot marginalen moest rekenen: delinquenten, homoseksuelen, gekoloniseerden, zwarten, verwijfden en manwijven, kortom, de ‘verworpenen der aarde’, zoals zijn Franse collega Frantz Fanon het zo treffend samenvatte. Johan Simons heeft in zijn bewerking van ‘Die Neger’ ervoor gekozen de blanken juist zwart te maken, en de enige ‘zwarte’ zich te laten ‘witten’, om maar duidelijk te maken hoe willekeurig huidskleur is, hoezeer het gaat om een spel, een maskerade.

Genets ‘neger’ is niet gebonden aan kleur, maar des te meer aan zijn positie als buitenstaander. Genet ruilde het raciale stereotype in voor een niet minder beklemmend politiek cliché. Het ontstaan van een zwarte middenklasse, eerst in de VS en nu ook in Europa, zou hem een gruwel zijn geweest. Want de neger is opstandig en boos, altijd, en is hij het niet of niet meer, dan verschuilt hij zich achter een blank masker. Fanon had in 1952 al zijn bestseller Zwarte huid, blanke maskers gepubliceerd. Al deze pertinenties waren dus afkomstig van een blanke, homoseksuele auteur, met een niet onaanzienlijk crimineel verleden, die zich later nog in de armen zou storten van de Palestijnse bevrijdingsbeweging en de Black Panthers; daar stond hij vooral te boek als ‘that white pervert’. De revolutionaire solidariteitsbroederschap, waar Genet van droomde, heeft vooral in zijn verbeelding bestaan.

Overigens, ook bij die eerste uitvoering van Les Negres ontstond er beroering onder zwarten, en wel onder de spelers. De meesten van hen waren keurig geassimileerde Franse Antillianen, die in Parijs een bestaan hadden opgebouwd. Zij maakten zich ernstig zorgen over de haat tegen blanken die uit het stuk sprak – die wilden ze niet voor hun rekening nemen. Genet vond ongetwijfeld dat ze last hadden van hun ‘blanke maskers’, maar het blijft eigenaardig dat Genet zonder enige schroom hen overstemde en met zoveel woorden verklaarde: „Ik geloof dat ik hier spreek namens alle zwarten ...” Waarna een blanke man zijn woorden in hun monden legde.

Mag een man schrijven over vrouwen? Een blanke over zwarten? Mag een homo in een film een heteroseksueel vertolken? Ja, uiteraard, we roepen de macht van de verbeelding aan en die is groter dan het biologische of raciale verschil. Genet liet de ‘blanken’ op het toneel vertegenwoordigen door zwarte, geschminkte spelers – dat was nog niet vertoond. Veel bekender en beruchter is die andere traditie, waar blanken zich vermommen als zwarten: van geschminkte Othello’s tot blackface minstrels. Het probleem is niet de transformatie zelf, want die is tekenend voor theater, carnaval, en het bal masqué waar mensen zich willen voordoen als iemand anders. Het probleem zijn de denigrerende stereotypen die vastgenageld zitten aan de zwarte figuur: lui, dom en kinderlijk onwetend. Dit zijn karaktereigenschappen en die gaan verder dan uiterlijke kenmerken. Karikaturen zijn een uitvergroting van die kenmerken, stereotypen een indikking van veronderstelde eigenschappen. Zelfs de grootste Zwarte Piet-liefhebber, schat ik, kan niet meer naar een show van Al Jolson kijken zonder zich onverklaarbaar ongemakkelijk te voelen, want we zien een blanke een zwarte man spelen met de herseninhoud van een strooien pop. Die zet je, compleet met wiebelend hoofdje en dat malle hoofddeksel op de hoedenplank, achter in je auto.

Goed, Zwarte Piet, het personage dat onlosmakelijk bij onze Nederlandse traditie hoort, maar dat tegelijkertijd alleen al tijdens mijn leven opzichtige veranderingen heeft ondergaan. Van boeman met zak en roe (jaren ’60) tot Surinaams pratende clown (jaren ’70-’80) tot de regelneef en hands on manager van nu. Geen man uit één stuk, zo blijkt maar weer, eerder een buitengemeen tijdsgevoelig type. Afgelopen woensdag oordeelde de Raad van State terecht dat er grondwettelijk geen oordeel over Zwarte Piet te vellen valt. Dat is namelijk aan de burgers, eventueel aan de burgerlijke rechter om dat te doen. Premier Rutte wist nog zeker dat Zwarte Piet zwart is, qualitate qua, maar volgen we Genet, dan verdwijnt ook die zekerheid uit beeld en opent zich een heel kleurenpalet.

In zijn tegendraadsheid was Genet tegelijkertijd een ongelooflijke tiran. Zo verordonneerde hij dat Les Nègres uitsluitend door zwarte acteurs gespeeld mocht worden (in Polen waren die niet voor handen, dus geen voorstelling) en bovenal moest het publiek blank zijn, want zijn aanklacht was tegen hen gericht. Het schandaal, j’accuse, Publikumsbeschimpfung – daar was het hem om te doen.

Het Sinterklaasfeest is nooit bedoeld om een schandaal te veroorzaken, het kent ook niet de restrictie van een ‘blank publiek’, maar in de praktijk kwam het daar in Nederland lange tijd wel op neer. De frictie ontstond toen Caraïbische Nederlanders zich hier meenden te herkennen in Zwarte Piet. De leuze uit de jaren ’70, ‘Zwarte Piet = zwart verdriet’ vind ik nog steeds veel preciezer dan die omineuze slogan van tegenwoordig: ‘Zwarte Piet = racisme’, waarmee Pieterbaas in het universum terecht komt van lynchpartijen en de Ku Klux Klan.

Vanaf de tijd dat blanke Nederlanders steeds minder ‘met elkaar alleen werden gelaten’, en zich hier ook gekleurde Nederlanders vestigden, dreigt het Sinterklaasfeest in politiek vaarwater te komen. Genet wilde aan de kaak stellen, provoceren, hij zocht de controverse, maar dat is juist het laatste wat je van een volksfeest mag verwachten. De PVV heeft een ‘Zwarte Pieten-wet’ voorgesteld waarbij gemeenten „worden verplicht te zorgen dat bij de intocht van Sint de Pieten ook echt zwart zijn”. Dit begint te lijken op de dwingelandij van Genet, nu dus niet uit naam van het revolutionair linkse maar het conservatief-rechtse gedachtegoed. Ik vrees bij de intocht PVV-ordewachten, boze racismeposters langs de kant en een stalletje van Groenlinks, tegen Piets zwartheid.

De volledige politisering van het Sinterklaasfeest is al bijna een feit, en die moet zo snel mogelijk ongedaan worden gemaakt, wil het een kinderfestijn blijven en niet ontaarden in een politieke toogdag. Hoe? Zwarte Piet moet onherstelbaar verbeterd, verkleurd raken, zodat geen zwarte, gekleurde of blanke Nederlander zich nog aan hem kan spiegelen.

Is dat ‘zwichten voor de dictatuur van de minderheid’, zoals filosoof Sebastien Valkenberg eerder in deze krant betoogde? Minderheden kunnen in de kortst mogelijke tijd politieke meerderheden vormen.

Dertig jaar geleden was het zogenoemde homohuwelijk misschien de wens van drie procent van de bevolking, en zelfs veel homo’s vonden het een overspannen idee. Tegenwoordig kan het gelijkgeslachtelijke huwelijk rekenen op de instemming van een stabiele meerderheid en dat is niet omdat er in Nederland ineens heel veel meer homo’s zijn bijgekomen. De medestanders beperken zich allang niet meer tot de mensen met dezelfde seksualiteit. Waarom zou de kwetsuur van Zwarte Piet alleen worden gevoeld door zwart en gekleurd Nederland?

Jean Genet zocht met Les Nègres de confrontatie: dat lukt hem tot op de dag van vandaag. Wil het Sinterklaasfeest overleven, dan moet daarbij de tegenovergestelde strategie worden gevolgd.

Weg met de dwingende regieaanwijzingen, de polarisatie, de clichés, weg ook van de politieke discussie.

Het gaat hier niet om een blank feest maar een blanco feest – in te vullen door alle Nederlanders.