Van beleggers mag de euro best dalen

De euro staat op 1,24 dollar, dat is 9 procent lager dan deze zomer. Nadelen van een zwakkere munt zijn er op dit moment nauwelijks.

Dat viel mee, de economische groei in de eurozone. Gisteren meldde het statistisch bureau Eurostat dat de groei in het derde kwartaal 0,2 procent bedroeg. Veel is dat niet, maar Duitsland had een positieve groei, terwijl voor krimp was gevreesd. Eigenlijk viel alleen Italië tegen. Al mag de blijdschap met de 0,2 procent groei voor de gehele eurozone natuurlijk als zeer betrekkelijk worden gezien. Europa was blij met een mus die reutelend opstond uit de dood.

De vraag is nu wat er achter de economische meevaller zat. En een van de kandidaten is de koers euro zelf. Aan het eind van het tweede kwartaal stond die op 1,37 dollar per euro. Drie maanden verder was de koers van de euro gedaald tot 1,26. Gisteren eindigde de Europese munt op iets meer dan 1,24. Dat is 9,5 procent lager.

Nu zal het niet allemaal aan die lagere koers van de euro tegenover de dollar liggen, maar niet vergeten moet worden dat het hier niet alleen om de dollar gaat. Wereldwijd zit een groot aantal munten muurvast aan de dollar geklonken (denk aan de Arabische wereld), of schaduwen munten de dollar min of meer (denk aan Latijns-Amerika of China).

Europa haalt zo een mondiaal concurrentievoordeel. Of beter gezegd: Europese bedrijven halen dat. Dat gaat via drie kanalen. Allereerst is er het zogenoemde transactie-effect. Een bedrijf dat spullen of diensten verkoopt aan een dollargebied, zeg de VS, krijgt daar door de gestegen koers van de dollar een hoger bedrag in euro’s voor.

Dan is er het zogenoemde translatie-effect op de balans. Bezittingen in het buitenland worden terugvertaald in euro’s meer waard. Schulden in dollars trouwens ook, maar vooral grotere bedrijven matchen hun tegoeden en verplichtingen over het algemeen met elkaar in dezelfde valuta. Of ze lossen het op met financiële derivaten. Plaatselijke winsten van een buitenlandse dochter komen bovendien, door een hogere dollar, hoger terug in de winst- en verliesrekening.

Als derde zijn er economische effecten. Een bedrijf zal plaatselijk marktaandeel winnen en buitenlandse bedrijven zullen hier moeite hebben hun marktaandeel op peil te houden.

Alles bij elkaar is het effect van een lagere euro dus uitermate gunstig. Op korte termijn dan. Uiteindelijk leidt een zwakkere munt via hogere invoerprijzen tot een toenemende inflatie, een stijgende rente en een opwaartse druk op de lonen. Het voordeel wordt zo dus thuis weer ongedaan gemaakt. Vandaar dat economen een depreciatie van de munt hooguit beschouwen als een tussenoplossing. Een lapmiddel dat werkelijke problemen niet verhelpt.

Maar de tijden zijn niet normaal. In de eurozone streeft de Europese Centrale Bank (ECB) er juist naar de inflatie, die zorgwekkend laag is, op te schroeven. De inflatie in de eurozone is op dit moment 0,4 procent. De ECB streeft naar inflatie van tegen de 2 procent. Het gaat nog lang duren voordat de ECB dat bewerkstelligt. Door de centrale bank geraadpleegde economen voorspelden donderdag nog dat de inflatie in 2016 zal oplopen tot slechts 1,4 procent. Zelfs over twee jaar is het doel van 2 procent nog steeds niet gehaald.

Voor een stijgende rente bestaat weinig angst: die rente, ook voor langlopende leningen, wordt juist met ingrepen laag gehouden, en dat zal voorlopig ook zo blijven. Een hogere inflatie, bij een laag blijvende rente, is juist zeer gewenst. Zo kan er een negatieve reële rente ontstaan, die de economie een hoognodige zet kan geven.

Hogere invoerprijzen knabbelen natuurlijk wel aan de koopkracht. Maar het toeval wil dat de prijzen van grondstoffen, en met name van olie, fors dalen. In dollars daalde de olieprijs sinds de zomer van 116 dollar per vat naar 78 dollar gisteren. Dat is 33 procent. In euro’s daalde de olieprijs minder, van 84 euro naar 63 euro. Dat is 25 procent. Minder, maar ook niet gek.

Een lagere euro is dus wenselijk, en zorgt niet voor problemen. En de eurozone is er wel aan toe. Vlak voor het uitbreken van de financiële crisis steeg de koers van de euro fors, en ook vlak na de crisis steeg de euro fors omdat de VS er met een ruim monetair beleid in slaagden de koers van de dollar te drukken. Die valutaire tegenwind kwam in Europa bovenop de crisis zelf, en hielp de Amerikaanse economie destijds juist. Nu de economie van de VS het steeds beter doet, draaien de rollen om. Het ruime Amerikaanse geldbeleid loopt ten einde, terwijl de ECB daar nu pas echt mee wil beginnen. Dat verklaart voor een groot deel de neerwaartse, en welkome, druk op de euro.

Nu zal de ECB nooit toegeven dat zij actief streeft naar een zwakkere munt. De centrale bank heeft als opdracht de waarde van de euro te waarborgen. Dat betekent dat zij streeft naar intern waardebehoud, en dus waakt voor een uitholling door te grote inflatie. En het betekent dat zij streeft naar extern waardebehoud, en dus een verzwakking van de euro nooit expliciet tot doel zal hebben.

Maar, nogmaals, normale tijden zijn het niet. Als een hogere inflatie in wezen een doel wordt voor de ECB, dan wordt een externe verzwakking van de euro dat logischerwijs ook.

Voor beleggers is de lagere euro goed nieuws. Meer groei, hogere bedrijfswinsten, en dat bij een rentestand die actief laag wordt gehouden. De omstandigheden zijn dus goed, zeker als de euro verder mocht dalen. Maar nu moeten de Europese economie en het beursgenoteerde bedrijfsleven natuurlijk wel gaan leveren.