Turkse jihad viel in zijn eigen zwaard

De Ottomaanse staat riep aan het begin van de Eerste Wereldoorlog op tot een jihad tegen de geallieerden. Namens de laatste kalief. Het leidde mede tot de ontbinding van het reusachtige maar ziletogende rijk.

De proclamatie van de jihad door de moefti van het Ottomaanse Rijk op 14 november 1914.

De laatste keer dat een kalief de Heilige Oorlog uitriep – dat wil zeggen, vóór de Irakees Abu Bakr al-Baghdadi zich die titel aanmat – was honderd jaar geleden. Op 11 november 1914 verklaarde het zieltogende Ottomaanse Rijk de oorlog aan de mogendheden van de Entente – Engeland, Frankrijk en Rusland. Op 14 november gaf de hoogste moslimgeestelijke van het rijk, moefti Essad Effendi, een fatwa (religieus decreet) uit waarin hij moslims opriep tot een jihad tegen de Entente. Hij deed dat in naam van sultan Mehmet V. De Ottomaanse sultan had sinds de revolte van Jonge Turken in 1908 geen politieke macht meer, maar hij was in naam nog steeds kalief van alle (islamitische) gelovigen.

Doordat de Ottomaanse regering de kant koos van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije veranderde de Eerste Wereldoorlog van karakter. Van een overzichtelijke landoorlog rond de grenzen van twee Duitssprekende keizerrijken werd het een ingewikkelde land- en zeeoorlog met strijdtonelen van Noord-Frankrijk en Oost-Pruisen tot de Kaukasus en het Midden-Oosten. Zo werd het een wereldoorlog, waarin de islam een niet onbelangrijke, maar intussen bijna vergeten rol speelde.

Deze week kwam op uitnodiging van Turkijekenner Erik-Jan Zürcher een internationaal gezelschap historici, politicologen en cultuurwetenschappers bijeen in het auditorium van de Leidse universiteit. Zij bespraken de manier waarop de oorlogvoerende partijen de islam probeerden te gebruiken om de vijand te verzwakken en steun te mobiliseren in de koloniale periferie. De meeste moslims – op Turken, Afghanen en Perzen na – werden destijds overheerst door vreemdelingen. Bij de onvrede daarover viel politiek garen te spinnen. Dat is ook ijverig geprobeerd, door Ottomaans Turkije en zijn Duitse bondgenoten, maar ook door Britten en Fransen.

Heel wat tijdgenoten schreven de Ottomaanse jihad-proclamatie van november 1914 op conto van Duitse intriges. De Nederlandse islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, die een belangrijke adviserende rol had gespeeld in de Atjeh-oorlog (1873-1914), schreef in 1915 een boekje onder de titel Holy War made in Germany. Daarin haalde hij niet alleen vernietigend uit tegen Duits gestook in Istanbul, maar ook tegen collega-islamologen die zich in zijn ogen voor het karretje van de keizer lieten spannen. De antropoloog Léon Buskens memoreerde in Leiden hoe deze brochure aanleiding gaf tot een fikse wetenschappelijke burenruzie.

Snouck had een punt. De Duitsers hoopten op een revolte onder de onderdanen van hun vijanden: de moslims in Brits Egypte en India, in Frans Noord-Afrika en in de Russische Kaukasus en Centraal-Azië. Midden-Oostenkenner Tilman Lüdke (universiteit van Freiburg) vertelde over het werk van de Berlijnse Nachrichtenstelle für den Orient, een dienst die tot taak had om pan-islamitische propaganda te verspreiden tegen westerse koloniale mogendheden.

Toch kwam de jihad-proclamatie in Istanbul niet helemaal uit de Duitse koker, stelde de Turks-Amerikaanse historicus Mustafa Aksakal (universiteit van Georgetown). De Ottomaanse staat, zei hij, had al eerder een jihad uitgeroepen, onder meer in oorlogen tegen Rusland (1773) en Servië (1809), tegen Griekse opstandelingen (1829) en in de Grieks-Turkse oorlog van 1897. Istanbul speelde de islamitische kaart ook om zijn Arabische onderdanen gunstig te stemmen. Arabische leiders stonden bloot aan Britse vrijages en de Ottomanen waren niet zeker van hun loyaliteit.

Papieren vliegtuigje

Veel heeft de Ottomaanse oproep tot jihad niet geholpen. De moslims in Brits-Indië liet het koud en naar verluidt maakte de koning van Afghanistan een papieren vliegtuigje van de bewuste fatwa.

De Britten hadden meer succes met hun toenaderingspogingen in het Midden-Oosten. De Israëlische historicus Joshua Teitelbaum (universiteit Bar-Ilan) vertelde deze week in Leiden hoe Hoessein bin Ali, de sjarief van Mekka die zich beschouwde als een nakomeling van de profeet Mohammed, onder de stammen van het Arabische schiereiland een opstand ontketende tegen het Ottomaanse kalifaat. Hun militaire aanvoerder, Hoessein’s zoon Feisal, werd bijgestaan door een Britse inlichtingenofficier, de archeoloog T.E. Lawrence.

Uiteindelijk vielen de Ottomanen in hun eigen zwaard. De jihad-retoriek leidde tot nietsontziende campagnes tegen christelijke Grieken en Armeniërs, en dat geweld droeg, naast de nederlagen tegen de troepen van de Entente, bij tot de definitieve ontbinding van het rijk. De Turkse republiek die in de jaren 20 werd uitgeroepen door Mustafa Kemal Atatürk bracht een scheiding aan tussen islam en staat – en in 1924 werd het kalifaat afgeschaft.

Ook de Duitse pan-islamitische strategie wierp op de korte termijn geen vruchten af. Het waren Engeland en Frankrijk die na de Eerste Wereldoorlog vaste voet kregen in de Arabische wereld. Toch, zei Tilman Lüdke, bezorgde deze politiek Duitsland een reputatie in het gebied die gunstig afstak bij die van de traditionele koloniale mogendheden. Nazi-Duitsland wist daarvan te profiteren tijdens de Tweede Wereldoorlog. En ook daarna behield de Bondsrepubliek een anti-koloniaal imago, waardoor ze nog steeds aanzienlijke invloed heeft in het Midden-Oosten.