Politiek correct gebeuzel

Sinds kort zijn promovendi aan de Maastrichtse universiteit verplicht om in hun proefschrift een hoofdstuk op te nemen over valorisatie. Een indruk van wat de Maastrichtse universiteitsbazen voor ogen staat, krijg je als je hun nieuwe promotiereglement leest. Daarin passeren vragen de revue, die de promovendus op weg moeten helpen met het hoofdstuk: ‘In welke concrete producten, diensten, processen, activiteiten of bedrijvigheid worden je onderzoekresultaten vertaald en vormgegeven? Op welke manier krijgt dit (deze) valorisatie traject(en) vorm? Wat is de planning, zijn er eventuele risico’s, wat zijn de marktkansen en wat zijn de kosten?’

Achter dit foeilelijk beleidsproza gaat deze bedoeling schuil: promovendi voorbereiden op het indienen van subsidieaanvragen. Want grote subsidieverstrekkers verlangen dat wetenschappers duidelijk maken wat de samenleving eraan heeft.

Eerst deze vraag: mogen universiteitsbazen zich mengen in de inhoud van proefschriften? Nee. Dat privilege is op goede gronden voorbehouden aan hoogleraren. Zij zijn het die de auteur van een proefschrift tot doctor kunnen promoveren. In jargon heet dat het ius promovendi. Eraan morrelen, is een brutaal loopje nemen met de academische vrijheid. Heden is het een valorisatiehoofdstuk; morgen misschien wel een verplichte paragraaf over duurzaamheid. Wie de wetenschap onder het geschutsvuur van politiek correct gebeuzel brengt, tast haar bewegingsruimte aan.

Toch is het onder universiteitsbazen usance aan het worden om een bemoeizuchtige toon aan te slaan zodra het over promoveren gaat. Neem Frank Miedema, decaan van de medische faculteit te Utrecht en voorman van de club die zich Science in transition noemt. Miedema liet zich in een interview ontvallen dat veel van het promotieonderzoek aan zijn faculteit is „losgeraakt van de maatschappij”. Er zijn te veel overbodige promoties, vindt hij. Toe maar. Ik zou zeggen: laat dat oordeel over aan de hoogleraren.

Terug naar het opgedrongen valorisatiehoofdstuk. Promovendi die een proefschrift schrijven over een onderwerp dat allerlei puike toepassingen kent, zullen zich daar zeker op eigen initiatief wel over uitlaten. Maar promovendi die over een thema gaan waar dat moeilijk ligt, worden door zo’n verplichting aangezet tot luchtfietserij. Elke collega die regelmatig subsidieaanvragen beoordeelt, weet wat ik bedoel. Als ik de valorisatieparagraaf van menige aanvraag had moeten geloven, was dementie al een paar keer uit de wereld geholpen en hadden we op zijn laatst vijf jaar geleden een duidelijk begrip van hoe autisme ontstaat. Om maar eens wat onderwerpen te noemen.

De neiging om met het oog op toekomstige subsidies weidse perspectieven te schetsen, ontspoort nogal eens in hosannaverhalen. Uiteindelijk zullen de hooggestemde verwachtingen niet worden ingelost. Precies dat schaadt het vertrouwen van de belastingbetaler in de wetenschap. Daarom: promovendi moeten niet worden verleid tot snoeverij. Al helemaal niet als hun proefschrift handelt over – pak ’m beet – Spinoza en de Nederlandse republiek of jeugdstrafrecht in Europa. Het zijn academiabele onderwerpen. Er een valorisatiedraai aan geven, voedt het misverstand dat ze behept zijn met een legitimiteitsprobleem, waarvoor de promovendus zich dient te verontschuldigen.

Los daarvan: een valorisatiehoofdstuk neemt een voorschot op toekomstige toepassingen van huidige kennis. Maar die zijn niet te regisseren. Dat is een vaak terugkerende boodschap in The Black Swan, dat briljante boek van de statisticus Nassim Taleb. Taleb noemt het voorbeeld van Charles Townes, de uitvinder van de laser. Ooit werd Townes door een journalist gevraagd of hij chirurgische toepassingen in zijn achterhoofd had toen hij in de jaren 50 van de vorige eeuw met zijn project begon. Townes ontkende. Hij wilde onderzoek doen naar het splitsen van lichtbundels. Meer niet. De grootschalige exploitatie van zijn uitvinding in de geneeskunde kwam pas later en was niet voorzien.

Een voorbeeld in de psychologie is dat van John Swets, die een fascinatie had voor hoe mensen verschillen in hun waarnemingsdrempels. Bij wijze van model bestudeerde hij militaire radar-experts. Swets ontwikkelde een rekenmethode om vast te stellen hoe goed deze experts vijandige van eigen vliegtuigen kunnen onderscheiden. De methode wordt nu standaard toegepast om de diagnostische scherpte van medische apparatuur te meten. Toen Swets in zijn ivoren toren met radarbeelden aan de slag ging, zal hij dit grillige verloop van zijn onderzoek onmogelijk hebben kunnen bevroeden. Toekomstige kennis is inherent onvoorspelbaar. Wie vandaag kan voorspellen hoe de kennis van morgen eruit ziet, beschikt al over die kennis.

De beschavende waarde van wetenschap is een belangrijke aangelegenheid. Maar dat is het op een hoger aggregatieniveau dan dat van individuele proefschriften. In plaats van promovendi ermee lastig te vallen, moeten universiteitsbazen die waarde in Den Haag over het voetlicht brengen. Zodat de kachel lekker blijft snorren in de ivoren toren, waar de promovendus in alle rust kan werken aan voortreffelijk, maar lang niet altijd toepasbaar onderzoek.