Poederjunks

Er is een groep skiërs die niet binnen de lijntjes skiet. Aan de afgrond in La Grave. tekst Elsje Jorritsma

Illustratie Ingrid van Halteren

O

h, ik heb me vergist, dit is toch een andere route. Wat denken jullie; kunnen we hier af, of moeten we terug klimmen?” Berggids Martijn Schell van de associatie PowderGuides staat met een groepje skiërs op een hachelijke richel boven een smalle, steile wand. Sneeuw met aan weerszijden rotsen. Het lijkt meer op een afgrond dan een helling, zeker voor iemand die pistes gewend is. Maar dit is La Grave, wereldberoemd onder poedersneeuwliefhebbers, en hier zijn geen pistes. Dat is juist het punt: er is alleen een antiek aandoend liftje dat skiërs in twee etappes naar 3.200 meter brengt, en verder niets. Verder moet je het zelf maar uitzoeken.

Vanuit heel Europa en de VS komen skiërs precies dat doen. Bij het bier aan het eind van de dag in het sobere maar bomvolle café van hotel Castillan klinken Frans, Zweeds, Sloveens, Duits en Engels. Veel mannen, veel baarden, en opvallend veel oudere skikleding. Hier komen mensen die veel in de bergen zijn, zomer en winter. Nog nat van de sneeuw van die dag, praten ze over… sneeuw. Met een zekere bezetenheid. Waar is de beste poeder te vinden, wanneer moet je er precies zijn, en hoe begaanbaar is het daar. Achteloos maken ze een wereldkaart van hun opgetelde ervaringen. Een klein nationaal park in Canada waar de sneeuw niet perfect, maar wel betrouwbaar is. Wolf Creek in Colorado, met droge en lichte sneeuw, maar meestal niet voor lang. Het noordereiland van Japan, waar de fijnste, lichtste poeder ter wereld ligt.

En natuurlijk La Grave. Net als in de rest van de Alpen is de sneeuw vaak wat nat, en dus zwaar. Maar de combinatie van een lift naar ongeprepareerde gletsjers, afdalingen van tweeduizend meter langs steile wanden, het hoge gehalte fanatieke skiërs en het pretentieloze historische dorpje maakt het oord aantrekkelijk voor de echte powderhounds die de wereld afreizen om buiten de gebaande paden te skiën.

In het barretje van hotel Edelweiss worden aan een bont gezelschap gincocktails geschonken waar ze in Londen een puntje aan kunnen zuigen, maar op straat klinkt geen dreunende muziek, en er staan geen biertaps in de sneeuw. „It’s the vibe”, verklaart de Amerikaanse John het succes van La Grave. „It is all about skiing here, geen dure winkels, geen spa’s, just skiing.”

Je hoeft geen poederverslaafde met een encyclopedische lawinekennis te zijn om buiten de pistes te skiën als je met een berggids gaat, ook niet in La Grave. Schell en andere gidsen gaan ook regelmatig met gezinnen op stap, of met vaders en zonen. Zolang ze maar goed kunnen skiën – niveau probleemloos zwarte pistes. En de kinderen moeten niet te jong zijn, zegt Schell. Het skiën in ongeprepareerde sneeuw is fysiek zwaar, maar vergt vooral ook doorzettingsvermogen.

Boven op de berg heeft Schell zich natuurlijk niet vergist. Hij heeft de skiërs naar die richel geleid voor een lesje risico-inschatting. Daar komen de cursisten voor, een week lang training in het ‘omgaan met het hooggebergte’. Dat doe je namelijk als je buiten de piste skiet, zegt Schell, zeker op die hoogte. „Je begeeft je in een omgeving die in beginsel niet geschikt is voor mensen. Je moet leren inschatten wat de risico’s zijn van de sneeuw, het weer en het terrein.” Boven op die richel betekent dat: hoe steil is dit wandje, en hoe stabiel is het sneeuwdek? Áls je het dek los trapt, wat komt er dan van boven nog mee? En waar kom je na 100 meter terecht, waar de helling verdwijnt achter een grote rots – kan de sneeuw nog ergens heen of eindig je in een volgestorte trechter?

De cursisten, van wie de avond ervoor tijdens het eten al bleek dat ze veel sneeuwkennis hebben, worden het niet eens. Nadat ze hebben vastgesteld dat er in ieder geval niet veel van boven kan komen, stelt Schell een oplossing voor: aan het touw afzakken tot waar je het terrein wél kunt overzien, en dan opnieuw een beslissing nemen. Zo geschiedt, en de groep kan daarna door, links houdend om weg te blijven bij de gletsjerspleten. Schell wijst naar ergens midden in de wand: „Maar daar moet je niet vallen, daar ziet het sneeuwdek er niet goed uit.” Van onder de rots laat Schell zien dat dit wandje pal rechts ligt naast de twee smalle, steile hellingen die ‘Le Trifide’ 1 en 2 heten – naar de vleesetende planten uit het verfilmde sciencefictionverhaal The Triffids. „Die namen zijn niet echt bedoeld om mensen gerust te stellen.”