Overdreven prudent, dat weglaten van die naam

Wie won eind oktober dit jaar de Divali Award voor journalistiek, schreef in Trouw over radicale moslims, veroorzaakte in mei 2013 commotie met een artikel over sharia in de Schilderswijk en schreef op 5 november zijn laatste stuk in die krant? Al deze beschrijvingen stonden woensdag in NRC Handelsblad in een stuk over een journalist van Trouw die door zijn hoofdredactie wordt verdacht van het sjoemelen met bronnen (Dagblad Trouw onderzoekt of verslaggever reportages verzon, 12 november). De krant heeft onderzoek ingesteld – een brisante affaire, want verhalen verzinnen is een journalistieke doodzonde.

Maar zijn naam stond er niet bij.

Die was dan ook niet bekendgemaakt door Trouw zelf. Maar die ochtend meldde GeenStijl al wel dat het zou gaan om de verslaggever die, nou ja, zoals NRC later wist te melden, in oktober de Divali-prijs had gewonnen en op 5 november zijn laatste stuk in de krant had geschreven. Zijn naam ging toen al rond op Twitter en haalde nog die ochtend (met een slag om de arm) Teletekst.

Op de redactie in Amsterdam vlamde een discussie op over de vraag of de krant hem in het bericht moest noemen of niet. De hoofdredactie besliste van niet. Argument: de naam voegt niets relevants toe, het gaat om de inhoud van de zaak. Andere media brachten wel met naam en toenaam stukken over de affaire, een portret van betrokkene (de Volkskrant), soms met foto (De Telegraaf). Maar de hoofdredactie houdt vast aan het dictum: geen naam noemen. In de column van Margriet Oostveen in nrc.next dook hij gisteren nog op; in dezelfde column in NRC Handelsblad die dag was hij geschrapt.

Waarom doet de krant dit?

Trouw hield de naam van betrokkene mede stil op verzoek van zijn advocaat. Dat is best voor te stellen, want zoiets is een persoonlijk drama – einde carrière, lynchpartij op het Twitterschavot, schade en schande. Al zal die krant uiteindelijk, lijkt mij, toch man en paard moeten noemen. Niet alleen hebben de lezers daar recht op, de betrokken stukken zullen moeten worden gerectificeerd – en daar hoort een auteursnaam bij.

Maar moest NRC Handelsblad zich hier iets van aantrekken?

De krant sprak in het bericht van woensdag consequent van „de redacteur”.

Maar ja, in datzelfde stuk worden dus feiten vermeld waaruit zijn identiteit met een simpele muisklik valt op te maken. Letterlijk: „Zijn laatste Trouwartikel dateert van 5 november en gaat over de strafeis tegen jihadisten en een jihadronselaar.” En: „Eind oktober dit jaar won de redacteur de Divali Award.’’

Googelt u even mee?

Dit zijn uniek bepalende beschrijvingen, die in feite op hetzelfde neerkomen als zijn naam noemen – alleen zonder die te noemen. Dat is potsierlijk. Wie houd je dan nog voor de gek? Van bescherming van de identiteit van betrokkene is dan in elk geval geen sprake meer.

Bovendien, nu lijkt het of de krant uit een soort journalistieke smetvrees tegen de lezer zegt: wij weten wie het is, we geven u daar deze aanwijzingen voor, maar we willen het zelf niet zeggen, dus legt u de puzzel thuis zelf maar.

U ziet het: ik ga die naam hier ook niet alsnog ‘onthullen’, alsof dat nog nodig zou zijn. Waar het om gaat: er ligt een besluit dat ik onterecht vind. In de berichtgeving had „de redacteur” gewoon moeten worden genoemd.

Er waren achteraf gezien wel ambachtelijke argumenten om die ochtend nog even terughoudend te blijven. Want bij navraag blijkt dat de krant voor dat bericht eigenlijk maar beschikte over één echte bron. Iemand „binnen Trouw” had een NRC-redacteur verteld om wie het ging. De redacteur (die van NRC, niet die van Trouw) gaf haar informatie door aan de centrale redactie in Amsterdam, waar het bericht werd getikt.

Het maken van het bericht ging over verschillende schijven: van een deelredactie naar de onlangs ingestelde, algemene nieuwsdienst die dagelijks het laatste nieuws moet verwerken.

De redacteur (NRC) die het bericht vervolgens schreef, zocht zelf nadere informatie bij elkaar over „de redacteur” (die van Trouw). Maar het bleef bij één echte bron voor zijn identiteit. De redacteur (Trouw, niet NRC) werd ook zelf niet gebeld voor wederhoor, wel zijn hoofdredactie, die niet bereikbaar bleek.

Een bericht met gaten dus – alleen was dát niet het argument om de naam weg te laten. En blijkbaar ook geen beletsel om feiten te vermelden die net zo sterk identificerend waren. Stel dat het niet waar bleek te zijn? Overigens ontbrak nog het detail dat de betrokken redacteur (die van Trouw) in 2002 een korte stage heeft gelopen bij: NRC Handelsblad. De krant had denk ik beter kunnen kiezen. Ofwel de naam weglaten, maar dan ook die identificerende feiten, ofwel meer bronnen zoeken, betrokkene benaderen (of zijn advocaat) en man en paard noemen. Inmiddels zijn meer bronnen aangeboord, maar het dictum blijft: we laten de naam weg tot „de redacteur” zich zelf heeft uitgesproken.

Dat is overdreven prudent. Een naam weglaten kan soms wenselijk zijn, bijvoorbeeld omdat die niet relevant is voor een landelijke krant (hoe heette die fietsendief in Appelscha ook alweer?). Of om verdachten of slachtoffers van misdrijven of rampen enigszins te beschermen tegen extra schade.

Maar voor publieke figuren, en dat zijn journalisten ook, zijn de regels strenger: zie de lange rij politici, advocaten, wetenschappers en schrijvers die met naam en toenaam in de krant belanden, ook als ze alleen nog maar ergens van worden beticht, juridisch of anderszins.

In dit geval gaat het niet om een verdachte, maar om een journalist die een rol heeft gespeeld in de onrust over ‘islamisering’ van Nederland, althans van de Schilderswijk. Relevant genoeg.

In het algemeen: de krant moet niet vervallen in een reflex om namen weg te laten, alsof ze er voor een beschaafde krant niet toe doen. Dat is de omgekeerde wereld: de krant moet in beginsel juist wel namen noemen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl