Oorlog

Op 11 november 1938 was ik als jongetje van elf met mijn vader en moeder in Londen. We stonden in Whitehall in een grote menigte bij de Cenotaph, het monument voor de gevallenen in de Eerste Wereldoorlog. Plotseling werd het volkomen stil en toen begon in de buurt een klok te slaan. Heldere slagen waardoor je pas echt kon horen hoe stil het was. Die duizenden mensen waren bij elkaar gekomen om op een gegeven tijdstip hun mond te houden om de doden te eren. Tien miljoen. Als je daaraan zou kunnen denken – het is onvatbaar voor de menselijke geest – zou je misschien voorgoed je mond houden. Maar dit was een plechtigheid. Daar gelden andere regels.

In december 1937 heeft Menno ter Braak over de herdenking van de Wapenstilstand een stukje geschreven, onder de titel – een krantenkop – ‘Man Rushes Towards King at Cenotaph Service’ (Verzameld werk, Deel 4, pagina 646). Terwijl de ceremonie aan de gang is, maakt zich uit de menigte een man los. Hij rent in de richting van de koning terwijl hij schreeuwt: „Al die schijnheiligheid! Jullie zijn welbewust de volgende oorlog aan het voorbereiden!”

Ja, wat gebeurt er dan? Hij wordt meteen besprongen door de mannen die voor de veiligheid zorgen en wordt afgevoerd. Het blijkt Stanley Storey te zijn, iemand die niet helemaal goed bij zijn hoofd is, een maand tevoren ontsnapt uit een krankzinnigengesticht. Dat wekt grote opluchting: een gek heeft het gedaan.

Ter Braak trekt partij voor de ordeverstoorder. Zo gek zal die man trouwens niet geweest zijn, politiek gesproken. De Spaanse Burgeroorlog was sinds 1936 aan de gang, Mussolini was Abessinië aan het veroveren, bij ons kreeg Mussert een steeds grotere mond, in heel Europa was het nationaal-socialisme of het fascisme in opmars, terwijl de Eerste Wereldoorlog in het collectief geheugen voortleefde. Zo’n wonder was het niet dat in Londen op 11 november iemand met een politieke boodschap de orde verstoorde. Wat gebeurt daar?, vroeg Ter Braak zich gecursiveerd af. En hij eindigt zijn stukje met deze zin: „Gebeurde zoiets niet op Golgotha?” Toen in mei 1940 de Duitsers binnenvielen heeft hij zelfmoord gepleegd.

Tussen allerlei andere plechtigheden en herdenkingen door zijn we nu ook weer even bezig met de Eerste Wereldoorlog. Hoe komt dat? Nederland is er keurig aan ontsnapt. Misschien begint de onontkoombare massaliteit van die vierjarige moordpartij nu tot ons door te dringen. Ik weet het niet. Mij is het altijd een raadsel van de duisterste orde geweest.

Voor de Tweede Wereldoorlog gingen mijn vader en moeder en ik in de zomervakantie naar Knokke Le Zoute. Daar stond aan het einde van de boulevard wat er was overgebleven van de Batterie Wilhelm II. Twee enorme roestige stukken kustgeschut. Eerlijk gezegd, ik bewonderde die constructies, ik had erbij willen zijn als ze werden afgevuurd.

In Noord-Frankrijk bij Péronne staat het Mémorial de la Grande Guerre, een museum waar de oorlog op zijn allergrondigst is aangepakt, met statistieken, sociologische verklaringen en natuurlijk de beelden en de voorwerpen. Er hoort ook een vliegveldje bij. Daar kun je opstijgen in een klein vliegtuigje dat met een deskundige piloot een rondvlucht over een paar slagvelden maakt. De piloot wijst je aan waar de loopgraven waren. De sporen, of de afdrukken zijn nog zichtbaar. En dan kan ik me een redelijke voorstelling maken van wat zich daar toen heeft afgespeeld.

Mijn opa en oma van moederskant waren geabonneerd op het weekblad De Prins der Geïllustreerde bladen. De ingebonden jaargangen 1914 tot 1919 heb ik in de jaren dertig geërfd. Als ik mazelen of rode hond had, kreeg ik een deel van De Prins en dan ging ik de oorlog bestuderen. Loopgraven, gesneuvelden, geweldige kanonnen, Dikke Bertha’s, de oorlog kende voor mij geen geheimen.

En ten slotte: in deze oorlog was mijn vader officier bij de Koninklijke Marine. Zijn werk was het demonteren van aangespoelde zeemijnen. Gevaarlijk werk. Met een paar van zijn collega’s is het slecht afgelopen. Je kon ze met een lepeltje van het strand scheppen, vertelde mijn moeder. Mijn vader heeft daar geen fouten gemaakt. Vandaar dat u dit leest.