Na de bestraling de wildernis in

Ook zieke Nederlanders reizen graag. Maar als het misgaat willen ze zo snel mogelijk weer naar huis. Dat kan een probleem zijn, zeker bij verre bestemmingen. „Kies een Europees land, géén eiland, op rijdbare afstand.”

Illustratie Sebe Emmelot

‘Hier begint de Nijl.” Frank Schots wijst een punt aan op de landkaart in het fotoalbum. Zijn vinger beweegt verder langs de route door Oeganda. „Hier zitten de zwarte neushoorns, hier de chimpansees. Lake Mburo – dát was mooi.” Twee weken trok hij vorig jaar met zijn vrouw en dochter door het Afrikaanse land, waar zijn dochter vrijwilligerswerk had gedaan. In de zomer volgde een rondreis door Thailand met het hele gezin. Op de omslag van dat fotoboek staat hij met vrouw, dochter en drie lange zoons voor een waterval.

Frank Schots (56), een vliegtuigbouwkundig ingenieur die ICT’er bij een bank is geworden, was op die reizen al ongeneeslijk ziek. Hij heeft prostaatkanker, uitgezaaid in ribben, schouder, heup en rug. Op de lijst die hij opstelde toen hij dat had gehoord, met de dingen die hij nog wil doen, staan ook verre reizen, bij voorkeur naar landen waar hij nog niet is geweest. Na zijn studie trok hij in zijn eentje liftend door West-Afrika: Mali, Opper-Volta (nu Burkina Faso), Ivoorkust, Togo, Benin. Met vrouw en kinderen, nu 14 tot 20 jaar, ging hij meestal kamperen in Frankrijk in een ingerichte tent. De echte reiskoorts bleef sluimeren.

Jaarlijks gaan miljoenen Nederlanders op reis. Het aantal mensen dat een lange vliegvakantie boekt is volgens het CBS de afgelopen tien jaar met ruim een miljoen gestegen, naar 5,8 miljoen in 2013. Het aantal reizigers naar de tropen bedraagt zo’n 1,5 miljoen per jaar. Door ziekte laten veel mensen zich niet weerhouden. GGD-arts Atie Pijtak krijgt regelmatig te maken met zieken die een verre reis willen maken. Ze geeft advies en controleert of de medicatie samen gaat met de benodigde inentingen en malariatabletten. „Een enkele keer zeggen we: misschien kunt u beter een andere bestemming kiezen.” Maar, zegt Pijtak, „het blijft uiteindelijk de keuze van de cliënt.”

Marjon Boesveld (53) is net terug van een weekje Zuid-Portugal met haar man. Het reizen voelt anders sinds ze weet dat ze niet meer beter wordt, zegt ze – ze heeft uitgezaaide borstkanker. „Je denkt: hoe vaak zou ik dit nog kunnen zien. Aan de andere kant: ik loop lekker met mijn voeten in de zee, ik kijk naar mooie luchten. En als ik met mijn man op een terrasje zit ben ik die ziekte even helemaal vergeten.”

Ziekenhuis op Bali

Het kan ook misgaan. Voor een jaarlijks klein percentage van de Nederlandse reizigers verandert de reis in een nachtmerrie. Iemand komt in een buitenlands ziekenhuis terecht, kan de dokter niet verstaan, moet worden geopereerd of met spoed gerepatrieerd. Afgezien van verkeersongevallen gaat het in zulke noodgevallen meestal om hartziekten, hersenbloedingen en complicaties door kanker.

Marinearts Winston Macdonald (68), een Nederlander met Schotse voorouders, werkte na zijn leeftijdsontslag vijftien jaar voor verschillende alarmcentrales. Daar kreeg hij te maken met de vaak onrealistische verwachtingen van mensen die in het buitenland door ziekte worden geveld. „Ze denken dat je daar dezelfde zorg krijgt als in Nederland. Maar in een buitenlands ziekenhuis moet je vaak duizenden euro’s betalen voor er ook maar iets wordt gedaan.” Mensen accepteren het ook niet dat ze in een ziekenhuis muizen of kakkerlakken zien lopen, zegt hij. Dan bellen ze de alarmcentrale en eisen terugkeer naar Nederland. Direct.

Dat is niet altijd mogelijk, zegt Macdonald. Ook niet als repatriëring – via een reis- of aanvullende verzekering – verzekerd is. Als de te overbruggen afstand meer dan 1.200 kilometer is, komt vervoer over de weg niet in aanmerking wegens de werktijden van ambulancechauffeurs. Ziekenvervoer door de lucht is aan strikte regels gebonden. Een zwangere toerist met bloedverlies in Padua wilde zo snel mogelijk naar haar Nederlandse gynaecoloog, maar mocht niet in een lijnvliegtuig. „En een ambulancevliegtuig is alleen bedoeld om te evacueren als adequate zorg ter plekke ontbreekt.”

Een kankerpatiënt die door uitzaaiingen een hersenbloeding kreeg, moest twee weken in een ziekenhuis op Bali blijven: na een hersenbloeding mag je twee tot drie weken niet vliegen. Ook koorts wordt aan boord van een vliegtuig niet geaccepteerd. „Als er een epidemie is, zoals nu ebola, plaatsen vliegmaatschappijen infraroodscanners. Dan word je uit de rij gehaald als je te warm bent.”

Een vrouw van 46 had uitzaaiingen in de hersenen, epileptische aanvallen en hevige pijn in de botten. Toch, vertelt Macdonald, wilde ze nog één keer met haar jonge kinderen en de hele familie naar Disneyland Parijs. Al voor aankomst, in de auto, kreeg ze een nieuwe epileptische aanval en vreselijke pijn, waar de meegebrachte morfine niet tegen hielp. Ze kwam terecht in een overvol Frans ziekenhuis waar de arts zei niets voor haar te kunnen doen. Ze wilde zo snel mogelijk weer naar huis.

Pas na 48 ellendige uren werd ze teruggebracht naar Nederland. Vliegen was ook hier geen optie, zegt Macdonald: Na een epileptische aanval mogen mensen drie dagen niet vliegen. Franse ambulances rijden niet verder dan de grens. Een Nederlandse ambulance kon pas gaan rijden als er in Nederland een ziekenhuisbed beschikbaar was. Dat moest bovendien een – schaars – isolatiebed zijn, ter bestrijding van de resistente MRSA-bacterie, die patiënten vanuit buitenlandse ziekenhuizen vaak meebrengen naar Nederland.

Macdonald zag zo veel mensen in dramatische situaties belanden, wat zij vaak de alarmcentrale verweten. Die zou repatriëring blokkeren wegens te hoge kosten.

Villa op Curaçao

Winston Macdonald zegt niet dat zieke mensen beter thuis kunnen blijven. Wel vindt hij dat medisch specialisten patiënten soms te makkelijk laten gaan. „Het is natuurlijk legitiem om een laatste wens te vervullen, maar bespreek dan ook dat overlijden op de vakantiebestemming een reëel risico is, dat je terecht kunt komen in een ziekenhuis met beperkte mogelijkheden en dat gauw terugvliegen niet altijd kan.” Ook patiënten zelf moeten volgens Macdonald de risico’s goed afwegen, liefst samen met een reizigersgeneeskundige. „Ga alleen als je drie maanden stabiel bent. Kies een Europees land, géén eiland, op rijdbare afstand.” Vaak gaan mensen last minute op reis, zegt Macdonald. „Ze hebben slecht nieuws gehad, of zitten tussen de eerste en tweede chemo. ‘Het regent, laten we iets leuks gaan doen.’ Vroeger ging je naar de Veluwe, Beieren of de Ardennen. Nu ga je even naar Thailand.”

Het eerste wat de dochter van Marjon Boesveld zei toen ze had gehoord dat haar moeder niet meer zou genezen, was: ‘Mam, we gaan een mooie reis maken’. Begin volgend jaar verblijft de hele familie twaalf dagen in ‘een soort villa’ op Curaçao. Boesveld, die in de thuiszorg heeft gewerkt, sprak het plan wel door met haar oncoloog. „Het is nogal wat en het kost de kinderen ook een hoop geld. Maar hij verwacht geen problemen. Hij zei: ‘Ga ervoor en geniet ervan’.” Zelf voelt ze zich om een andere reden een tikje bezwaard. „Het is een dure reis en misschien loop ik nog wel een hele tijd rond. Nou, zei mijn dochter, dan gaan we nog een keer.”

Psycholoog Janet Kooper van het Helen Dowling Instituut, voor psychologische zorg bij kanker, ziet mensen vaker twijfelen. „Ze denken: het is zonde van het geld want ik ben ziek, ik kan er niet van genieten. Of ze willen het geld bewaren voor de erfenis. Als ik merk dat iemand eigenlijk toch best wil, moedig ik hem wel aan om te gaan. Als hij nog in leven zou zijn gebleven was hij van dat geld ook leuke dingen gaan doen.” Lang niet iedereen kiest overigens voor een verre reis, zegt Kooper. Sommigen keren liever terug naar een plek dichter in de buurt, waar ze jaren op vakantie zijn geweest. „Ze hebben vaak te weinig energie over om baldadig te denken: dat en dat en dat wil ik nog zien.”

Dat geldt niet voor Frank Schots. Hij heeft de helft van tien chemokuren achter de rug. Als ze er na de winter op zitten, wil hij met zijn vrouw naar Marokko. En dan in de zomer weer naar een ver land met het hele gezin. De VS staat „met stip op de shortlist”, al wil hij zelf het liefst naar Midden- en Zuid-Amerika. Afrika is gevetood door zijn oudste zoon. Die „wil naar een land waarvan hij de taal spreekt”.

Het draaiboek van mijn dood

Schots overlegt met zijn gezin – zijn vrouw is verpleegkundige – , maar niet met een arts over de reizen die hij maakt. „Zolang ik in redelijke conditie blijf, mag ik alles doen.” Zijn botten zijn broos geworden door de hormoonbehandeling. Ook vorig jaar in Oeganda was dat al zo. Dat was voor hem geen punt van zorg. „Een botbreuk is vrij basaal, die kan de lokale medicijnman wel repareren. En ze spreken daar beter Engels dan in Italië.” Australië of Nieuw-Zeeland zal hij niet meer doen, die vliegreis is te zwaar wegens de pijn in zijn botten. Andere risico’s calculeert hij in, zoals de dwarslaesie-verschijnselen die hij kan krijgen door de uitzaaiingen in zijn rug. „Als dat dreigt, kan het preventief worden bestraald. Dan zorg ik dat dat gebeurd is voor ik weer de wildernis in ga.”

En als het in een ver buitenland plotseling veel slechter gaat? Zodat hij daar overlijdt? „Als het gebeurt, gebeurt het”, zegt hij eerst laconiek. Dan, peinzend: „De mogelijkheid van euthanasie heb je dan niet. Mijn eigen huisarts heb ik niet in de buurt.” Korte stilte. „Ik zou dan wel heel graag zo snel mogelijk gerepatrieerd willen worden, om hier het draaiboek van mijn dood uit te voeren.”

Zo willen de meeste mensen het, weet Winston Macdonald. „Die grote reis is niet hun laatste wens. Dat is: sterven op Nederlandse bodem.”