Minister van hulp en handel

Zij voegde ontwikkelingshulp en handel samen. Een onmogelijke combinatie of een gouden formule? De minister op missie in Afrika.

De klei zit nog aan haar schoenen als Lilianne Ploumen aankomt op de residentie van de Nederlandse ambassadeur in Kigali. Zojuist stond ze nog in de modder, toen ze een klein, mede door Unicef geleid voedselproject bezocht. Nu is ze in de hoofdstad van Rwanda om met Nederlandse ondernemers de zojuist afgesloten handelsmissie in dat land en Congo te evalueren.

Van de ondervoede kindertjes naar het Nederlandse bedrijfsleven, op zoek naar orders. Voor Ploumen is het geen grote, maar een logische stap. Zij is de minister van handel én hulp. Een combinatie waarin ze elke dag meer gaat geloven. „Weg met de gescheiden werelden”, zegt ze. „Als je kijkt naar effectiviteit, is de combinatie handel en hulp veel beter. Van de meest kritische non-gouvernementele organisaties tot aan de politieke leiding, ziet men ons heel graag komen. Overal zeggen ze: hartelijk dank voor jullie hulp, maar we willen eigenlijk jullie handel en investeringen.”

Lilianne Ploumen is nu twee jaar minister. Ze begon in november 2012 met als opdracht het uitvoeren van de grootste bezuiniging sinds tijden op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking: één miljard euro minder. De vrouw die zelf bijna haar hele leven in het ontwikkelingswerk had gezeten, deed het zonder mankeren. „De bezuinigingen zijn een gegeven. Ze zijn in het regeerakkoord afgesproken en ik ga ze uitvoeren”, zei ze na haar aantreden.

De bezuiniging heeft zich bijna geruisloos voltrokken. Het ‘veld’ protesteerde plichtmatig en in de PvdA, haar eigen partij, ging men al heel snel over tot de orde van de dag. Ploumen: „Het debat over ontwikkelingssamenwerking is in Nederland vaak overschaduwd door de vraag of de uitgaven nu 0,8 of 0,7 procent van het nationaal inkomen moesten bedragen. En moest er nu een minister of een staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking komen. Daar zijn heel wat vergaderuren in zoekgeraakt. Maar het moet daar niet over gaan. Wel over de vraag wát we dan doen? Waar kunnen we met onze euro het grootste verschil maken, dat is het leidende principe. Ik ben alleen geïnteresseerd in effectiviteit en rendement.’’

Reality-check

Komende week zal minister Ploumen (1962) in de Tweede Kamer haar begroting verdedigen. Lastig zal ze het niet krijgen. Een ruime meerderheid in het parlement is te spreken over haar beleid. Deze week bracht de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, zoals haar portefeuille voluit heet, samen met een delegatie uit het bedrijfsleven een werkbezoek aan Congo en Rwanda. De week ervoor zat ze in India, en de week daarvoor in China.

Ze reist veel. Hoe veel, waarheen en met welk doel is sinds deze week te zien op een speciale pagina van de website van Buitenlandse Zaken. Ze beschouwt die bezoeken als een reality check voor zichzelf, zegt ze. „Je hebt de neiging om je achter je bureau te laten verleiden tot allerlei maakbaarheidsidealen. Dan is zo’n bezoek nuttig. Want de praktijk is altijd weer ingewikkelder dan heel veel mensen denken.”

In Congo bewoog zij zich door de Afrikaanse chaos; in de hoofdstad Kigali van buurland Rwanda kon zij constateren dat er door de aanhoudende economische groei sinds haar laatste bezoek van een jaar geleden weer nieuwe, spiegelende kantoorkolossen bij zijn gekomen.

Het contrast is groot, maar de altijd optimistische minister – „ik zeg altijd dat het glas halfvol is” – put er hoop uit. „Er moet natuurlijk heel veel gebeuren. Het is nog lang niet perfect, maar ik ben wel bemoedigd door de bedrijvigheid die ik tegenkwam. Het is een clichépraatje, ik weet het. Afrika was tien tot vijftien jaar geleden nog het verloren continent. Afrika heeft problemen, ook geopolitieke. Maar er is wel echt vooruitgang.”

Wordt Lilianne Ploumen niet moedeloos van Afrika? „Nee. Van wat ik de afgelopen dagen heb gezien word ik nooit moedeloos. Ik denk dat we in ons leven nog veel meer van Afrika gaan zien dan we ooit voor mogelijk hebben gehouden’’.

Thermometer

In de auto van de grensplaats Goma in Oost-Congo op weg naar Kigali blikt Ploumen terug op het bezoek dat zij zojuist aan het problematische land heeft afgesloten. Kort daarvoor, bij de grensovergang met Rwanda, moest ook de minister er aangeloven. Ze kreeg een thermometer tegen haar hals om te controleren of zij koortsvrij was: ebolacontrole.

Weer zo’n plaag die Afrika treft. Maar tevens weer zo’n probleem dat Ploumen op haar manier direct weet te relativeren. „Ebola is in Nigeria, Sierra Leone en Guinee een verschrikkelijke ramp. Maar Nigeria en Senegal zijn wel in staat geweest het probleem in te dammen. Afrika telt 53 landen. Ebola is in drie landen geconstateerd en een aantal andere landen heeft er nadelen van. Maar als in Nederland en België iets gebeurt zeggen we toch ook niet dat de Grieken er last van hebben? Je moet net even verder kijken dan krantenkoppen.”

Direct daarna relativeert Ploumen ook deze uitspraak weer: „Ik ben geen naïeve believer, het gaat niet vanzelf goed komen. Je moet wel wat doen. En de leiders in Afrika moeten ook wat doen.”

Vertegenwoordigers van vijftien bedrijven reisden met Ploumen mee naar Congo. In Rwanda kwamen er nog vijftien bij. Ondernemers van de zuivelsector tot de satellietcommunicatie. Terwijl Ploumen in het Kempinski-hotel in Kinshasa een gesprek heeft met de minister van Landbouw, zijn er in andere zalen presentaties van de meegereisde bedrijven. En verzorgt de Nederlandse ambassade voor Congolese ondernemers een introductie in het ‘Dutch private sector program’.

De minister van Landbouw van Congo nodigt in zijn toespraak Nederlandse agrarische bedrijven uit vooral te komen investeren. Zijn land heeft na Brazilië een van de grootste nog te ontwikkelen gebieden ter wereld. In haar toespraak zegt Ploumen dat Nederland een reputatie heeft dit „op een verantwoorde manier” te doen. Een „win-winsituatie voor iedereen”.

Win-win – het is een begrip dat aan haar zit vastgeklonken. Een dag later in Oost Congo bij een bezoek aan een zogeheten ‘conflictvrije mijn’ ziet Ploumen het in de praktijk gebracht. Het gaat om een coöperatie die op een eerlijke manier erts wint, zoals coltan (een grondstof die onder meer in mobiele telefoons wordt toegepast). Via een nauwkeurig systeem met verzegelde labels wordt de gedolven coltan gevolgd om te voorkomen dat deze niet in handen valt van gewapende groepen. Bedrijven als Philips, Blackberry, Motorola en Apple hebben zich verplicht deze grondstof alleen van conflictvrije mijnen te betrekken.

Nederland was ooit één van de initiatiefnemers voor de conflictvrije mijn. „Jullie hebben de manier waarop mijnen geëxploiteerd worden werkelijk veranderd”, zegt ze tegen de leiders van de coöperatie. Nederland zal de komende drie jaar doorgaan met het financieel ondersteunen van het project. Er is drie miljoen euro voor beschikbaar. Hulp, maar ook handel.

Klassenmaatschappij

In het regeringsvliegtuig, op weg van Nederland naar Congo, had zij verteld over vroeger. Over haar jeugd in Maastricht; het klassiek-Limburgse katholieke milieu, de klassenmaatschappij waar iedereen wist waar iemand vandaan kwam. En dan Lilianne: van dochter van de melkboer tot minister. Het blijft haar tot vervelens toe achtervolgen. „Mijn moeder zei altijd: kind, je bent niet meer dan een ander, maar ook niet minder dan een ander”, zegt ze.

Vader kwam uit een gezin met acht kinderen, moeder had elf broertjes en zusjes. Zelf heeft ze een broer en een zus. Lilianne was de oudste van het gezin en hielp vader op zaterdag en in de vakanties met het bezorgen van melk. Op zondag vulde zij met haar mooie handschrift het kasboek in. De jaren zitten in haar geheugen gegrift. „Nog altijd als ik door Maastricht loop, herken ik de huizen waar ik aan de deur kwam. En dan weet ik: dat huis, zeven melk.”

Het waren haar ouders die haar gestimuleerd hebben. „Wij zijn wel heel erg opgevoed tot zelfbewust zijn. Mijn moeder was net zo slim als ik, maar mocht niet verder leren. Die moest helpen in het gezin. Dan ben ik wel heel trots dat ik nu minister ben. Niet persoonlijk, maar trots op Nederland, dat een land is waar dit kan. Dat gun ik ook al die meiden in Afrika.”

Rwanda is voor haar een goed voorbeeld van een Afrikaans land waar dit zal gaan lukken. Na het bezoek aan een milieuvriendelijk gaswinningsproject bij het Kivumeer zegt Ploumen: „De programma’s die hier draaien op het gebied van ontwikkelingssamenwerking met Nederland, maar ook met andere landen, worden gezien als de meest succesvolle ter wereld. Kijk naar het percentage mensen dat onder de armoedegrens leeft, of het percentage kinderen dat naar school gaat. Er worden heel goede resultaten bereikt. In de gender equality index [een internationale maatstaf voor de gelijkwaardige behandeling van de seksen] staat Rwanda op de zevende plaats, Nederland op de veertiende. En er is heel weinig corruptie.”

Maar hoe zit het dan met het dubieuze leiderschap van de Rwandese president Paul Kagame? Ploumen: „Ik vind dat woord een beetje lastig om te gebruiken. Er moeten vraagtekens gezet worden bij de manier waarop de overheid van Rwanda ingrijpt, of laat ik zeggen de politieke ruimte voor oppositie en ngo’s verkleint. Rwanda wordt heel erg beheerst door veiligheidsdenken. De bittere ervaring van de genocide in 1994, toen Rwanda er nagenoeg alleen voor stond, is echt wel een drijfveer voor politici hier in het land. Die denken: als niemand anders het doet, moeten we er zelf alles voor inzetten. Maar ik vind wel dat de tijd gekomen is om dat veiligheidsdenken minder dominant te laten zijn. Dat zal ik hier ook zeggen.”

Openhartig

Op de laatste dag van haar bezoek spreekt Ploumen anderhalf uur met Kagame. „Het was een openhartig en direct gesprek waarbij alles aan de orde is gekomen”, zegt ze na afloop.

Maar is Kagame niet ook een man met bloed aan zijn handen, zoals critici beweren? Ploumen: „Toen het voormalige hoofd van zijn veiligheidsdienst in Zuid-Afrika vermoord werd gevonden, zei hij: ik heb het niet gedaan, maar ik had het wel willen doen. Toen heb ik tegen hem gezegd: ik vind niet dat u dit soort dingen moet willen.”

Bij de de keuze tussen veroordelen of helpen, kiest Ploumen voor helpen. „We werken met Rwanda samen op het terrein van justitie omdat het na de genocide heel erg belangrijk was een rechtssysteem op te bouwen. We gaan nu wel een nieuwe fase in. Daarbij gaan we problemen gezamenlijk analyseren en aanpakken."

Donderdagmiddag op de residentie van de Nederlandse ambassadeur in Kigali. De minister zal over een paar uur naar Nederland vertrekken. Nog zo’n twintig mensen van de handelsdelegatie hebben zich verzameld voor de zogeheten wrap-up van de missie. Op de receptie bij de ambassadeur de avond ervoor waren bij de ondernemers al veel lovende woorden over Ploumen te horen.

Samen met de ambassadeur, Leonie Cuelenaere, zit Ploumen tegenover de ondernemers. Ze zijn allemaal tevreden. Diverse vervolgafspraken zijn gemaakt. De één was prettig verrast door het land Rwanda, de ander was te te spreken over de persoonlijke inzet van de minister om gesprekken met bijvoorbeeld een minister arrangeren. Glunderend hoort Ploumen de complimenten aan van de mannen en vrouwen, onder wie vermoedelijk weinig PvdA-stemmers zijn. Ploumen, later, terzijde: „Dat moet je niet zeggen, wie geen stemmer is, kan nog een stemmer worden.”

In haar slotwoord roept ze de ondernemers op vooral contact met de ambassade te blijven onderhouden. Of met haar. „See you next time, somewhere in the world.”