Met de rug naar de zee

Op feestdagen zijn we nog steeds ‘bootjesgek’, maar de traditionele band met de zee wordt steeds zwakker, ontdekte Thijs Broer. Zeilend langs de kust onderzoekt hij wat er over is van Nederland als maritieme natie.

foto sieb swart/ hh

Met zijn Najade, een zeilboot van negen meter, voer Thijs Broer (1970) drie maanden langs de kust van Cadzand tot Groningen. Hij wilde „Nederland naderen vanaf het water, een land dat verscholen ligt achter zandbanken en duinen”, een land dat doet „alsof het niet ontdekt wil worden”.

Door zijn werk als politiek redacteur van Vrij Nederland sprak hij soms prominenten met een maritieme connectie. Een van hen was oud-premier Piet de Jong (1915), die tijdens de Tweede Wereldoorlog commandant was van de onderzeeboot Hr. Ms. O 24. Hem legde Broer de vraag voor „waarom een vanouds zo internationaal georiënteerd land als Nederland zich terugtrekt achter de dijken?” De Jong antwoordde dat voor sommige mensen de kust „het einde van het land is, voor anderen het begin van de wereld”. Dat laatste is in Nederland steeds minder het geval, zei De Jong. Het zette Broer op het spoor van zijn boek Langs de kust. De Nederlanders en de zee.

Op zijn ontdekkingstocht merkte hij dat Nederland inderdaad steeds meer met zijn rug naar de zee staat. „Nederland is op feestdagen weliswaar bootjesgek en drijft en toetert iedereen rond in de grachten, maar feitelijk zijn we nauwelijks nog een zeevarende natie. Zeevaartscholen zijn drastisch uitgedund en in totaal zijn er nog maar 7.500 geregistreerde Nederlandse zeelieden.”

Het is een onverwachte invalshoek: Nederland nu eens niet als heldhaftige maritieme natie, maar een land dat de eeuwenoude band met de zee aan het doorsnijden is. De jongste resultaten van de Volvo Ocean Race bevestigen hem in zijn idee, zegt hij aan boord van zijn boot, die in de haven van het voormalige visserseiland Marken ligt. Schipper Bouwe Bekking van Team Brunel lag op de eerste etappe Alicante–Kaapstad geruime tijd aan kop, om als derde over de finish te komen. „Onfortuinlijk”, zegt Broer. Het gevolg is dat de „aandacht voor het zeezeilen even opflakkert, maar al snel weer verdwijnt”.

Hij begon zijn tocht in het uiterste zuidwesten van Nederland, de Zeeuwse wateren, en eindigt in het noordoosten, bij de sluis van Nieuwe Statenzijl aan de Dollard. „De eerste ontdekking die je doet als je op zee zeilt is hoe nietig je bent”, zegt hij. „Je moet je voegen naar de krachten van getij, stroming, golven, wind. Uiteindelijk is de zee altijd machtiger. We zijn gewend geraakt aan het idee dat we ons leven zelf in de hand hebben. Op zee leer je dat snel af. De mens is niet vanzelfsprekend de maat der dingen.”

Bontekoe

Broers boek staat in de traditie van de rijke en vooral heroïsche Nederlandse zeeliteratuur met titels als Hollands Glorie van Jan de Hartog en De scheepsjongens van Bontekoe van Johan Fabricius. Maar hij vraagt zich ook nadrukkelijk af „waar die zee is gebleven”.

„We zien de Deltawerkenals de triomf van onze kustverdediging. We denken dat we het water hebben bedwongen. Maar daardoor is de zee voor veel mensen op grote afstand geraakt. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat is het ministerie van Infrastructuur en Milieu geworden. We zijn het gevaar van het water vergeten. „Dat zei minister Schultz van Haegen ook toen ik haar sprak: die superstorm van eens in de tienduizend jaar kan juist die van morgen zijn. We moeten weer leren de zee als vijand én als bondgenoot te zien.”

Broer noemt een ander, bijna absurd voorbeeld: „Ik kwam erachter dat één ambtenaar bij Rijkswaterstaat, Dick Rienstra, al dertig jaar bezig is om alle wachters van de vuurtorens af te halen. Om de efficiency moeten camera’s het menselijk oog vervangen. Bij iedere minister kwam hij een stapje verder.” Alleen de Brandaris op Terschelling en de torens van Schiermonnikoog en Ouddorp (op Goeree) zijn nog bemand, al is het de vraag hoe lang nog. „Rienstra deed het protest op de Waddeneilanden af als ‘sentiment’. Maar vuurtorenbemanning kan je niet zomaar wegsaneren. Daarmee tast je het wezen van een eiland aan.”

Thijs Broer heeft een scherp oog voor maritieme ongerijmdheden: „Scheepswerven zijn altijd een belangrijk onderdeel geweest van het leven in dorpen en steden aan het water. Als een schip te water werd gelaten was iedereen erbij. Maar daar is weinig van over. Op weg naar Zeeland over de binnenwateren zag ik overal de roestende kranen van vervallen scheepswerven, en pal daarnaast gloednieuwe waterwoningen bewoond door oudere echtparen in nautische truien, met een sloep aan de steiger. Langs de hele kust schieten marina resorts als paddestoelen uit de grond. Holland als maritieme natie is niet meer dan een gecultiveerde herinnering.”

Falklandoorlog

De teneur van zijn boek is „al zeilend en pratend met tal van mensen ontstaan”, legt Broer uit. „Ik wilde een boek schrijven in de geest van het magnifieke Coasting van de Britse reisschrijver Jonathan Raban. In de jaren tachtig voer hij in zijn zeiljacht rond de Britse eilanden, in de tijd van Margaret Thatcher en de Falklandoorlog met Argentinië. Hij was ervan overtuigd dat je het Britse Rijk het best kon ontdekken vanaf het water. Dat heb ik ook geprobeerd, langs onze kust. De vissers, vuurtorenwachters, duikers, reders en zeelieden die ik ontmoette begonnen zonder uitzondering over de vrijheid die aan banden wordt gelegd. De overheid heeft de neiging ieder probleem met een stortvloed van regels te willen oplossen, met als meest bizarre voorbeeld het walvisprotocol voor gestrande walvissen. En dat terwijl de zee in Nederland juist de laatste vrijheid is.”

Toch wil Broer met zijn boek geen defaitistische indruk wekken: „De vrijheidsdrang hoort bij de zeevaart, bij het wonen aan de kust of op een eiland. Dat sentiment is nog steeds sterk. Daarom lukte het ook niet de Brandaris van zijn vuurtorenwachters te ontdoen: het verzet was simpelweg te groot.”