Lieve Guus,

Nog één schamel dagje en het leed is geleden. Zondagavond kun je weer helemaal jezelf zijn – niet langer boksbal van een wispelturige voetbalnatie. Niet meer de druk van media, bobo’s, analytici en cabaretiers.

Helemaal vrij, Guus.

Het wordt een van de belangrijkste momenten in je late leven, vandaar deze afscheidsbrief. Je tijd als bondscoach zit erop. Of je nu van de Letten met forfaitcijfers wint of in een bloedeloos gelijkspel blijft steken, maakt niet meer uit. Voor Oranje ben je al paria.

Het viel me op dat je tegen Mexico vooral in de weer was je eigen onzichtbaarheid te creëren. Roerloos op de bank, het hoofd diep tussen de schouders, hoog dicht gesnoerd winterjack: verkleumd stilleven met flanellen ziel. Ik heb veel ongelukkige mensen gezien in mijn leven, maar de verweesdheid waarmee jij woensdag in de Arena zat, kon alleen uit de ruigste ruïne komen. Voor het eerst zag ik zelfs een tic om je mond, alsof je op jezelf zat te knabbelen.

Verlatenheid.

Ik heb je anders gekend, Guus: joyeus, speels, cynisch. En vaderlijk. Man met granieten zelfvertrouwen langs de lijn. Geen coach zat solider in zijn vel. De laatste tijd ontvouwde zich een volksverhuizing van pendelende brokstukken, Guus. En zenuwen. Zoveel zenuwen dat je zelfs in een onnozel vraaggesprek met de NOS de controle verloor. Stomend tegen de maan, zat je daar.

Bricoleur van uitvluchten.

Wat mij nog het meest verbaasde, was dat je de schuld voor het treurvoetbal van Oranje tegen Mexico bij de spelers legde. Je hele leven ben je als coach een harnas voor Oranje geweest. Incidenten werden dicht geplamuurd, losbandige ego’s gevoileerd, miskleunen op rekening van het weer geschreven. Gentleman-coach die onkunde en misère van zijn spelers inmetselde in een mysterieus glimlachje. Alles nam je op je, zelfs liefdesverdriet van een dolende spits.

En nu dan: publieke banbliksems over die paar sukkels in de defensie. Ik wist niet wat ik hoorde, Guus. Dat je privé een mooi vloekrepertoire in petto hebt, weet ik als geen ander, maar nooit liet je je betrappen op stigmatiserende uithalen naar een mandekker. Tot na de rampzalige wedstrijd tegen de Mexicanen.

Al eerder zag ik hoe je de laatste maanden vervreemdde van jezelf, lieve vriend. Elke wedstrijd was een lijdensweg. Het modieuze brilletje kon de grauwheid in je gezicht niet meer breken. Daar stond een bange, blanke dwerg. Terwijl ik je altijd heb gekend als stoeiende avonturier die desnoods de dood terugfloot.

Ik kan ’t niet meer aanzien, Guus, jouw emotionele onttakeling. Je bent mij te lief voor de brandstapel.

Gelukkig is Nederland een land zonder geheugen. Opwinding van de dag wist alle verleden uit. Straks ben je voor volk en vaderland weer de ouwe Guus: wijs en beminnelijk. Ik begrijp nog altijd niet waarom je dat kapitaal in de waagschaal hebt gesteld voor een stelletje amateurs in de bossen van Zeist. Ook nog langs een bedenkelijke sluiproute ter onthoofding van Ronald Koeman.

Misleid door pathetische ambitie?

Haast je weg uit Zeist, Guus, nog deze zondagnacht. Dat ze zelf hun ‘plannen van aanpak’ opvreten. Toen ik van het infantiele voorstel hoorde, voelde ik me plaatsvervangend beledigd. Dat ze je die debiele kreet in je maag meenden te kunnen splitsen was al een reden voor ontslag.

Wat geweest is, is geweest. Zondagavond kunnen de ketenen van de ondergang los, beste Guus. Met de Harley de polder in, voorgoed. Einde aan een fataal intermezzo.

Je glaasje staat koud, goede vriend.

Kus,

Hugo