In de draagstoel gestorven – en toen?

Sleepte de 19e-eeuwse Alexine Tinne haar dode moeder opgevouwen in een tinnen kistje mee door Afrika? Haags historisch onderzoek geeft nu uitsluitsel, met hulp van het NFI.

Alexine en Henriëtte Tinne in reiskleding, metJetty Hora Siccama. Parijs, ca. 1860 Foto Collectie Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie

Robert Joost Willink slaakt een gilletje. „Oh my God, dit is Hamlet!” Willink kijkt naar de beheerder van begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag, die op een laddertje uit graf 106 geklauterd komt, het gemetselde, drie meter diepe keldergraf van de familie Tinne. De beheerder heeft een schedel in handen. „Het verleden wordt nu wel heel tastbaar”, stamelt Willink

De vondst van een mannelijke schedel was de apotheose gistermiddag van een historisch onderzoek, met het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in de hoofdrol. Het onderzoeksinstituut was met vijf medewerkers aangetreden om een historisch raadsel op te lossen. Wat zit er in de grote houten lijkkist van Henriëtte Tinne (1796-1863), de moeder van Alexine Tinne (1835-1869), de legendarische Nederlandse fotograaf en ontdekkingsreiziger?

Vooral Robert Joost Willink popelt al tijden van nieuwsgierigheid. Hij wil weten of de houten kist nog een kleinere, tinnen reiskist bevat waarin Alexine haar moeder een jaar lang, vermoedelijk in opgevouwen toestand, met zich zou hebben meegezeuld, van Zuid-Soedan naar Kairo.

Op verzoek van het Haags Historisch Museum verricht het NFI het onderzoek. Vorig jaar wijdde het museum nog een tentoonstelling aan de Afrikaanse reisavonturen van Alexine Tinne en haar moeder, de Haagse freules die tijdgenoten verbijsterden door als eerste blanke, Europese vrouwen naar ‘donker Afrika’ te reizen.

Het museum had zich door Willink laten overtuigen over het belang van het grafonderzoek. De 67-jarige historicus publiceerde in korte tijd drie boeken over de Tinnes. De scan zou het verhaal „compleet maken”, zegt Willink vlak voor het onderzoek. En: „Een laatste eerbetoon aan de reisprestaties van beide vrouwen”.

Het NFI klopte voor hulp aan bij het team Bijzondere Zoekingen van de Nationale Politie, dat over de benodigde mobiele röntgenapparatuur beschikt. Beide instanties beschouwen de grafopening „als een gezamenlijke training met maatschappelijk nut”, zegt arts-forensisch antropoloog Reza Gerretsen van het NFI.

Postzegel

Zes boeken, een film, een televisiedocumentaire, een tentoonstelling, een postzegel – de oogst van de afgelopen zes jaar maakt duidelijk dat het korte leven van Alexine Tinne tot de verbeelding blijft spreken. Ze was de eerste belangrijke Nederlandse fotograaf. De eerste westerse vrouw die tot diep in de Sahara reisde. Een feministe avant la lettre.

Samen met haar moeder Henriëtte – hofdame van koningin Sophie – behoorde Alexine tot de Haagse haute bourgeoisie. Dankzij het vermogen van Henriëttes eerste echtgenoot, een reder en handelaar in suiker, koffie en slaven, ontbrak het de vrouwen aan niets. Maar in het deftige Den Haag verveelden de ondernemende dames zich stierlijk, ze gingen voortdurend op reis. Eerst door Europa, later besloten ze tot het echte werk: naar het Midden-Oosten. In 1861 – na een afscheidsdiner op paleis Huis ten Bosch – vertrokken de Tinnes richting Centraal-Afrika. Ze wilden de Nijl af, op weg naar witte plekken op de kaart.

Wat bezielde de freules om zich in onherbergzame gebieden tussen de ‘wilden’, de slavenjagers en de muskieten te begeven? Ze hadden niet de ambitie om David Livingstone of andere ontdekkingsreizigers naar de kroon te steken. Ze reisden voor hun plezier, ze waren toeristen, schreven ze dikwijls in hun brieven. Dat blijkt ook uit de wijze waarop ze hun nomadische bestaan vormgaven. Met 500 dragers en 70 soldaten trokken ze door Soedan. Alexine in een draagbed met baldakijn, Henriëtte in een draagstoel. En ook het ijzeren ledikant van Alexine, de gemakkelijke stoelen en het Chinese porselein werden mee getorst.

De bejaarde Henriëtte overleed in 1863 in Soedan, vermoedelijk door uitputting. Met het lijk in haar bagage reisde Alexine terug naar Kairo. Daar werd ze opgevangen door halfbroer John Tinne, naar Egypte gekomen om haar over te halen terug te komen naar huis. Tevergeefs – met alleen de kist van zijn stiefmoeder reisde John Tinne terug naar Liverpool.

Roodwitte tape

Om half elf zet het NFI met roodwitte tape een deel van begraafplaats Oud Eik en Duinen af. Nadat pogingen om de gammele houten kist van Henriëtte uit het graf te halen dreigden te mislukken, besluit Gerretsen tot een nieuw „aanvalsplan”: de kist wordt in de grafkelder gescand.

Een jaar eerder stond Robert Joost Willink ook al voor het familiegraf van de Tinnes. Voor zijn onlangs verschenen boek Graf 106 reisde de historicus langs plekken in Egypte en Soedan die moeder en dochter Tinne op hun laatste gezamenlijke expeditie aandeden. Het boek eindigt op Oud Eik en Duinen, bij het familiegraf waar Henriëtte in 1868, vijf jaar na haar dood in Zuid-Soedan, eindelijk haar laatste rustplaats vond.

Op het moment dat haar moeder in Den Haag werd begraven, trok de inmiddels verarabiseerde Alexine door Libië, op zoek naar Toearegs. Gevaarlijke woestijntochten, die velen haar hadden ontraadden. Maar die waarschuwingen wuifde Alexine weg. In een brief naar huis schreef ze: „Ik vind niets angstwekkends in de gedachte vrolijk en dapper mijn einde te vinden door een geweerschot of een messteek, in plaats van een saai leven verder te slepen, zoals ik velen heb zien doen.”

Bij haar tweede grote woestijntocht, op 1 augustus 1865, werd Alexine Tinne bij een overval door Toearegs vermoord. Haar lichaam werd door hen in de woestijn gedumpt en op een halsdoek na werd nooit iets van haar teruggevonden.

Skelet

Om half twee ’s middags rondt Reza Gerretsen het onderzoek op Oud Eik en Duinen af. De NFI-onderzoeker spreekt van „een groot succes”. Hij heeft de kist van Henriëtte doorgelicht en er met een endoscoop in gekeken. Gerretsens eerste bevindingen zijn opmerkelijk: in de kist heeft hij op stro een skelet aangetroffen „in keurig anatomisch verband”, vermoedelijk verpakt in textiele windingen. Gerretsen: „De koppen van de dijbenen zitten nog in het bekken. Dat betekent dat Henriëtte waarschijnlijk nooit opgevouwen is geweest. Mogelijk is ze gemummificeerd.”

Willink is opgelucht. „Ik ben blij dat ze nooit opgevouwen is geweest”, zegt hij. Terwijl de NFI-medewerkers hun spullen inpakken, bereidt de historicus zich voor op een kleine plechtigheid. Hij heeft zich voorgenomen moeder en dochter alsnog te herenigen. Om vier uur plaatst hij een rood granieten urn in het graf met daarop de tekst: ‘Symbolische bijzetting van Alexine Tinne met Libisch zand’. Het zand kreeg Willink opgestuurd uit Tripoli, waar de ambassadeur het persoonlijk met een schepje in de tuin van de ambassade verzamelde.

Met de bijzetting sluit Willink een lange periode van onderzoek af. De historicus spreekt de hoop uit dat zijn boeken en de publiciteit rond de grafopening Alexine zullen verzekeren van nog meer roem. „Ze was geen ontdekkingsreiziger als Livingstone of Stanley”, zegt hij, „maar wel een reizigster van wereldformaat.” Zo’n nationale figuur verdient volgens de historicus een plek in het Rijksmuseum in Amsterdam. Waarom daar niet een paar van haar foto’s getoond, of de halsdoek die indertijd na de moord werd gevonden door een bode van de consul in Tripoli? Alexine Tinne is zo’n eerbetoon waard, zei Willink, „ze ontstijgt het Haagse”.