Het vertrouwde is altijd het beste

Stierengevecht in Andalusië, Jerez de la Frontera, Cadiz. Foto Hollandse Hoogte

Een slepende paso doble spelend trekt de fanfare door de hoofdstraat van El Batán. Voor jong en oud het teken om uit te lopen naar het dorpsplein. Daar strijken ze neer op de plastic terrasstoelen, voor een verkoelend biertje en zonnebloempitten. Het feest kan beginnen.

El Batán is een dorpje zoals er in Spanje duizenden zijn. Nu ik Spanje na vijf jaar verlaat, grijp ik mijn kans het te bezoeken. El Batán toont namelijk een dubbele crisis: de economische recessie, maar ook het afbladderen van de jonge Spaanse democratie. Zes jaar crisis en een golf corruptieschandalen hebben het geloof in het bestuur weggeslagen. De economie trekt langzaam aan, maar de vertrouwensbreuk verdiept zich juist elke dag verder.

Spanje balanceerde in de zomer van 2012 op de rand van een faillissement. In de eurocrisis lag Spanje onder een vergrootglas. Elk nieuwsfeitje – nieuwe werkloosheidcijfers, een failliete regio, een omvallende spaarbank – kon de staatsrente doen oplopen en beurzen wereldwijd angst aanjagen.

Juist op dat moment besloot El Batán tot een bijzonder referendum. De burgemeester moest streng bezuinigen. Hij kon zoals elk jaar stieren kopen voor het dorpsfeest of hij kon dat geld uitsparen en investeren in tijdelijk werk. De burger mocht kiezen: brood of spelen?

Media uit de grote stad doken bovenop het verhaal. La España profunda, het diepe Spanje, noemt men dit gebied in de regio Extremadura. Stedelingen kijken naar dit deel van hun land met een mengeling van heimwee en meewarigheid. Hier kan je stieren nog levend in de wei zien staan, niet slechts als reclamebord van een sherrymultinational. Je zoeft er heen over strak asfalt, mede aangelegd met Europees geld. Maar neem de afslag en de klok lijkt jaren te hebben stilgestaan.

Journalisten presenteerden het referendum – veelal zonder naar het dorp af te reizen – gretig als metafoor voor Spanje in crisistijd. De vechtstier is natuurlijk een levensgroot cliché. Tegelijkertijd „is de Spaanse geschiedenis”, volgens de filosoof José Ortega y Gasset, „niet te begrijpen, zonder de geschiedenis van het stierengevecht rigoureus te onderzoeken”. En al is de populariteit van de klassieke corrida in de arena snel tanende, in menig dorp vormt rennen of dollen met een stier nog altijd een onmisbaar onderdeel van het jaarlijkse patroonheiligefeest.

Feestvieren dankzij de huizenmarkt

En feest vierde Spanje in de jaren voordat ik er kwam wonen. Eerst om de zogenoemde ‘Transitie’ naar democratie na de Franco-dictatuur. Later om de aansluiting bij Europa. De enorme welvaartssprong. Deels op eigen kracht, deels met Europees geld. En, na invoering van de euro, dankzij een compleet ontspoorde huizenmarkt.

Maar toen ik eind 2009 aankwam, was het feest abrupt gestaakt. De economie verkeerde in een vrije val en het land kampte met een enorme kater. Europa en ‘de markten’ dwongen tot bezuinigingen en hervormingen. Vanaf 2011 laaide het maatschappelijke verzet hiertegen steeds hoger op. De regering – eerst links, vervolgens rechts – kwam klem te zitten tussen de volkswoede en de financiële markten. Buitenlandse investeerders twijfelden aan de kredietwaardigheid van het land. Tegen deze achtergrond werd het stierenreferendum van Batán bijna een landelijke vuurproef: kon Spanje zich aanpassen aan de nieuwe schaarste?

Twee jaar later wordt burgemeester Javier Antón nog bijna maandelijks door verschillende media uitgenodigd om zijn visie te geven op de hele episode. Hij slaat het allemaal af. Met mij wil hij, voor het eerst, wel terugkijken. „Het idee pakte misschien niet zo goed uit. Maar ik sta er nog steeds achter”, vertelt de jonge burgemeester (38) in het restaurant langs de uitvalsweg naar het dorp, die wordt gemarkeerd door een uitgebrande glasbak.

De jaren ervoor had El Batán al fors bezuinigd: de begroting kromp van 1,2 miljoen naar negen ton. Ook op de post ‘feesten’ kortte Antón. Traden voor de crisis wel tien stieren op, nu waren dit er nog maar twee. Of ze helemaal geschrapt konden worden wilde de burgemeester niet op eigen gezag beslissen. „De dorpsfeesten zijn hier een kapitale kwestie.”

Het hoogoplopende debat over de referendumvraag noemt hij „kenmerkend voor de povere democratische cultuur in ons land”. Het dorp zelf kijkt met enige schaamte terug op de hele episode. Sommigen steunden het banenproject, ook al zou dit maar een dozijn mensen werk opleveren, voor maximaal acht dagen. De officiële werkloosheid in het dorp ligt op 35 procent. In de bouw is geen werk meer. Diensten zijn er amper. Alleen op het land, in de oogstmaanden, is iets te verdienen als dagloner. Elk uur werk is dan welkom.

Toch wonnen de stieren ruim. Sommige dorpelingen stemden ‘stieren’, zeggen ze, „gewoon, omdat het feest sinds mijn jeugd al zo gevierd wordt”. Maar anderen vonden het ook gewoon een verstandigere investering. „Stieren op je feest trekken bezoekers van buiten aan: goed voor de horeca en lokale middenstand”, zegt Olga Garrido. „Dat was het meest democratisch: zo kwam het gemeentegeld tenminste iedereen een beetje ten goede.” En, stellen weer andere dorpelingen, wie verzekerde hen dat de baantjes niet zouden worden toegespeeld aan familieleden of vrienden van bestuurders?

Dit laatste argument tekent een breder wantrouwen in het openbaar bestuur. Dat het makkelijke geld op is, accepteert Spanje inmiddels wel. Het gros van de burgers heeft de afgelopen jaren leren leven met een enorm koopkrachtverlies. Ze toonden daarbij een groot incasseringsvermogen.

Een veel grotere ergernis van burgers is dat zij de rekening voor de crisis betalen, terwijl ze de politieke en zakelijke elite op dezelfde voet zien doorleven. Het ondermijnt de bereidheid hervormingen en bezuinigingen te slikken.

Symbool bij uitstek van deze frauderende elite is de financiële sector. Na het uiteenspatten van de vastgoedzeepbel vielen banken bij bosjes om. Ze dreigden het hele land mee te sleuren en moesten worden gered met miljarden belastinggeld. Ondanks die publieke steun bleven ze huiseigenaren met betalingsproblemen met honderdduizenden per jaar uitzetten. Elke week kent wel een nieuwe schandaal rond bankiers en politici.

Nogal conformistisch

Spanjaarden hechten aan tradities. De manier waarop een feest wordt gevierd, een bepaald gerecht klaargemaakt of de taal wordt gesproken is altijd het best in de eigen familie, het eigen dorp, de eigen streek of regio. Dit maakt Spanje tot een cultureel enorm rijk en divers land. Maar Spanjaarden zijn zelf ook nogal conformistisch. Ze prefereren het bekende – met al zijn gebreken – boven het onbekende, al zou dit best beter kunnen zijn.

Politiek wordt benaderd als voetbal. Je loopt als Real Madrid-fan ook niet over naar Atlético of Barcelona. Als jouw vaste politieke partij er een potje van heeft gemaakt, ga je niet ineens een andere steunen. Eerder blijf je op verkiezingsdag een keertje thuis. Gevolg is dat politici vaak zonder problemen herkozen worden, ook als ze overduidelijk corrupt zijn.

De crisis zet dit conformisme onder druk. In 2007, het laatste jaar voor La Gran Recesión, zei ruim veertig procent van de Spanjaarden zich niet voor politiek te interesseren. Zeven jaar later wordt ‘de politiek’ gezien als een van de belangrijkste problemen van het land.

In de jaren van brede politieke desinteresse konden de machtspartijen ongemoeid elke hoek van de samenleving koloniseren. Van justitie tot de financiële sector, van media tot cultuur, en van de beurswaakhond tot de oudervereniging op school: overal drongen politici binnen. Om controle te houden. Maar bovenal om goed voor zichzelf en elkaar te kunnen zorgen. En voor belangengroepen die hun gunsten kunnen kopen.

Dit slechte bestuur deed ook in El Batán zijn intrede. Decennia had het dorp dezelfde burgemeester, die regeerde als typische cacique, een dorpshoofd dat wikt en beschikt over ieders lot: baantjes en opdrachten werden door hem verdeeld. En die het kiesvolk verder tevreden houdt met goede dorpsfeesten. Brood en spelen.

Uiteindelijk kwam de burgemeester toch ten val – door een bouwschandaal. Hierop trad in 2003 de huidige burgemeester Javier Antón aan, van dezelfde centrum-linkse partij.

Padre Ángel, de pastoor van El Batán, waarschuwde in die jaren wel eens vanaf de kansel. „Het was excessief zoals we leefden. Overal was geld voor. Ook voor onze dorpsfeesten, die behoorden tot de uitbundigste van de streek. Men was daar eigenlijk wel trots op.”

Zoals heel Spanje voelt het dorp zich achteraf gezien met brood en spelen in slaap gesust. Men sliep terwijl het openbaar bestuur werd uitgeleverd aan belangengroepen. Zo werd in Extremadura, de regio van El Batán, een regionale wet aangenomen. Stieren die optreden op feesten moeten voortaan altijd sterven. Ook als dat, zoals in Batán, niet de traditie is, zo vertelt Marga. De huisvrouw kijkt vanuit haar huis uit op de weide waar jongemannen tijdens het dorpsfeest een uur lang met de stier ‘dollen’. Ze rennen voor het beest uit, trekken zijn aandacht en leiden hem door een kort parcours van straten.

Marga vindt het feest niet meer wat het was. Voorheen werd het dier na zijn ‘optreden’ weer in de veewagen geladen en teruggereden naar de wei. Maar de wet bepaalt dat hij, buiten het zicht van het publiek, met een schokpistool gedood wordt. „Geheel onnodig.”

De wet kwam er na een lobby van veehouders en grootgrondbezitters. Voor een stier die in één keer is ‘opgebruikt’ kunnen zij immers veel meer geld vragen dan voor een dier dat meerdere keren optreedt.

Spanjaarden hechten veel waarde aan het idee dat hun samenleving geen al te grote welvaartsverschillen kent. Maar juist de stedelijke middenklasse valt door de crisis nu flink terug: lonen dalen, belastingen stijgen, nutsvoorzieningen worden duurder en schraler, uitkeringen drogen op. Honderdduizenden middenklassenhuishoudens voegden zich de afgelopen jaren bij de twintig procent van de bevolking die ook tijdens de vette jaren al op of onder de armoedegrens bleef steken. De inkomensongelijkheid is opgelopen tot een van de hoogste van Europa.

Podemos

Het voedt een groeiend anti-establishmentsentiment. De belangrijkste vertolker hiervan is sinds een half jaar Podemos, een partij die in mei bij de Europese verkiezingen haar grote doorbraak maakte. Sindsdien is ze het gesprek van de dag. De opkomst van Podemos zou het tweepartijenstelsel, waarbinnen de centrum-linkse PSOE en centrum-rechtse PP de afgelopen decennia afwisselend regeerden, kunnen laten imploderen. Bij de volgende regionale en lokale verkiezingen verkiezingen, komend voorjaar, kan het al gebeuren.

Ook in El Batán komt Podemos regelmatig ter sprake. Onder de jongeren die om geld uit te sparen de kofferbak van hun auto hebben omgetoverd tot cocktailbar. Maar ook bij de oude mannetjes met meer praatjes dan tanden. Zodra in het feestgedruis het gesprek op politiek komt, valt al snel de naam Podemos en haar leider Pablo Iglesias. Lang niet iedereen is het met hem eens, maar zijn poging de politiek op te schudden wordt breed gewaardeerd.

Podemos betekent letterlijk ‘we kunnen’. Een slogan die geleend is van de ‘indignados’. Die beweging van ‘verontwaardigden’, vooral jonge betogers, kampeerde in mei 2011 enkele weken op centrale stadspleinen. Ze had felle kritiek op de eigen politieke ‘kaste’, de banken, Berlijn en Brussel. Podemos verbindt die woede met een boodschap van hoop: we kunnen ons land terugwinnen.

Fiesta en siesta

Niet alleen de economie belandde de afgelopen jaren in een vrije val, ook het nationale zelfvertrouwen. In het oog van de eurostorm laaiden oude vooroordelen weer op. Spanje als land van fiesta en siesta. Dit krenkte de Spanjaarden. Na de dood van Franco (in 1975) was het duidelijk waar het land heen wilde. Weer een democratie worden, bij Europa komen en het welvaartsniveau van de omringende landen evenaren. Hierin slaagde Spanje in bewonderenswaardig tempo. Maar de welvaart is de afgelopen jaren zo teruggelopen, dat de enorme sprong van eerdere decennia welhaast vergeten raakt.

Een andere beroemde uitspraak van Ortega y Gasset klonk ineens weer veelvuldig. ‘Spanje is het probleem, Europa de oplossing.’ Lang legden veel Spanjaarden deze woorden uit als: lid worden van de Europese Unie zal al onze kwalen genezen. Maar wat Ortega met de leuze vooral wilde uitdrukken, is dat Spanje een liberale, Europese rechtsstaat zou moeten worden. Die opdracht is nog lang niet voltooid, bleek de afgelopen jaren. Daar worstelt het land nu mee.

Enerzijds willen Spanjaarden vasthouden aan hun eigen identiteit. Efficiëntie en winstgerichtheid moeten niet álles gaan bepalen. Er hoort ook ruimte te blijven voor het irrationele, voor gevoel. Voor een goed dorpsfeest. „Natuurlijk kunnen dingen beter in ons land. Maar we moeten geen lowcost-kopie van de Duitsers worden”, zegt Isa (24), een studente die voor het feest naar het dorp is gekomen. „Zoals we ook niet werkelijk rijk waren toen we zo op de pof leefden, zo moeten we ook niet iets willen worden wat we niet zijn.”

De crisis legt ook bloot dat de democratie een nieuwe Transitie behoeft. Over alle corrupte politici wordt vaak gesproken alsof ze van een andere planeet komen – en niet uit een samenleving waarin ook burgers regelmatig sjoemelen. Maar zeker bij jongere, beter opgeleide generaties daagt het besef dat democratie meer is dan een keer in de vier jaar stemmen.

De jongeren van Batán haalden deze zomer geld op voor het feest met de verkoop van sjaaltjes en door donaties te vragen. Bijna 2.000 euro, waarvan een slagwerkband en mobiele disco zijn ingehuurd. Ze willen, anders dan de politici, zo transparant mogelijk opereren. Op het gemeentelijk prikbord hangt na afloop van het feest een A4’tje. Alle kosten en uitgaven zijn hierop tot de laatste cent verantwoord.