Het mysterie van het gevouwen lijk

De kist van ondekkingsreiziger Alexine Tinne (1835-1869) werd gisteren geopend. Het dubbelgevouwen lichaam van haar moeder zou erin gezeten hebben. En, hoe zit het?

Robert Joost Willink slaakt een gilletje. „Oh my God, dit is Hamlet!” Willink kijkt naar de beheerder van begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Die komt op een laddertje uit graf 106 geklauterd, het gemetselde, drie meter diepe keldergraf van de familie Tinne. De beheerder heeft een schedel in handen. „Het verleden wordt nu wel heel tastbaar”, stamelt Willink.

De vondst van de mannelijke schedel is de apotheose van een macaber historisch onderzoek, met het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in de hoofdrol. Het onderzoeksinstituut zou gisteren een historisch raadsel oplossen: wat zit er in de grote houten kist van Henriëtte Tinne (1796-1863), de moeder van Alexine Tinne (1835-1869), de legendarische Nederlandse fotograaf en ontdekkingsreiziger?

Vooral Robert Joost Willink popelde al tijden van nieuwsgierigheid. Bevatte de houten kist nog de kleinere, tinnen reiskist waarin Alexine haar moeder een jaar lang met zich meezeulde, van Zuid-Soedan naar Kaïro? Alleen dubbelgevouwen zou Henriëtte in zo’n reiskist hebben gepast.

Op verzoek van het Haags Historisch Museum verricht het NFI het onderzoek. Vorig jaar wijdde het museum nog een tentoonstelling aan de Afrikaanse reisavonturen van Alexine Tinne en haar moeder, twee Haagse freules die tijdgenoten verbijsterden door als eerste blanke, Europese vrouwen naar ‘donker Afrika’ te reizen, onder meer naar volledig onbekende gebieden in de bovenloop van de Nijl en de Sahara.

Het museum had zich door Robert Joost Willink laten overtuigen over het belang van het grafonderzoek. De 67-jarige historicus publiceerde in korte tijd drie boeken over de Tinnes. De scan van de kist zou het verhaal „compleet maken”, zegt Willink voor het onderzoek. Hij beschouwt het niet alleen als de climax van zijn jarenlange onderzoek, maar ook als „een laatste eerbetoon aan de reisprestaties van beider vrouwen”.

Het NFI klopte voor hulp aan bij het team Bijzondere Zoekingen van de Nationale Politie. Het team beschikt over mobiele röntgenapparatuur die geschikt is om ook door tin heen te scannen. Beide instanties beschouwen de grafopening, zegt arts-forensisch antropoloog Reza Gerretsen van het NFI „als een gezamenlijke training met maatschappelijk nut”.

Het verhaal van de Tinnes

Zes boeken, een film, een televisiedocumentaire, een tentoonstelling, een postzegel – de oogst van de afgelopen zes jaar maakt duidelijk dat het korte leven van Alexine (ook: Alexandrine) Tinne bijna anderhalve eeuw na haar dood nog altijd tot de verbeelding spreekt. De eerste belangrijke Nederlandse fotograaf. De eerste westerse vrouw die tot diep in de Sahara reisde. Een feministe avant la lettre. Op Alexine Tinne zijn diverse etiketten te plakken.

Samen met haar moeder Henriëtte – hofdame van koningin Sophie – behoorde Alexine tot de Haagse haute bourgeoisie. Aan het Lange Voorhout ontbrak het moeder en dochter aan niets, met dank aan het vermogen van Henriëttes eerste echtgenoot, een reder en handelaar in suiker, koffie en slaven. Maar de ondernemende dames verveelden zich stierlijk in het deftige Den Haag en reisden voordurend naar de horizon.

Na soms al behoorlijk avontuurlijke trips door Europa, die dikwijls maanden in beslag namen, vonden ze het tijd voor het echte werk: naar het Midden-Oosten. Eerst een jaar durende tocht langs Algiers, Jeruzalem, Beiroet en Kaïro. En daarna – na een afscheidsdiner op paleis Huis ten Bosch – richting Centraal-Afrika, de Nijl af, naar Khartoum, en dan nog zuidelijker, op weg naar witte plekken op de kaart.

Wat bezielde de Tinnes om zich in onherbergzame gebieden tussen de ‘wilden’, de slavenjagers, de krokodillen en de muskieten te begeven?

Ze hadden niet de ambitie David Livingstone en andere ontdekkingsreizigers naar de kroon te steken. In een brief aan een familielid schreef Alexine vanuit Soedan: „Nu weet je ook hoe mijn arme moeder en ik deze reis hebben ondernomen, niet om beroemd te worden, noch om boven de anderen verheven te zijn, maar om gewoon toeristen te zijn voor ons eigen genoegen.”

Uit de wijze waarop de freules hun nomadische bestaan vormgaven, sprak een zekere naïviteit. In 1863 reisden moeder en dochter op een gegeven moment met 500 dragers en 70 soldaten door Soedan. Alexine liet zich in een draagbed met baldakijn vervoeren, moeder gaf de voorkeur aan een draagstoel. Beiden hadden twaalf negers tot hun beschikking, die de klus bij toerbeurt op zich namen. De andere dragers torsten het ijzeren ledikant van Alexine, gemakkelijke stoelen, ingelijste prenten, Chinees porselein en zilveren bestek.

In Soedan overleed in 1863 de bejaarde Henriëtte, vermoedelijk door totale uitputting, en daarna ook nog twee kamermeisjes en een in Khartoum achtergebleven zuster van Henriëtte. Met de lijken in haar bagage reisde Alexine daarna terug naar Kaïro. Daar werd ze opgevangen door halfbroer John Tinne, die de boot naar Egypte had genomen >> >> om Alexine over te halen terug te komen naar huis. Maar Alexine, die in haar leven nooit een man boven zich had geduld, weigerde resoluut. Met alleen de lijkkist van zijn stiefmoeder reisde John Tinne terug naar zijn woonplaats Liverpool.

Dan liever een messteek

Om 10.30 uur gistermorgen zet Reza Gerretsen met rood-witte tape een deel van begraafplaats Oud Eik en Duinen af. „We scannen de kist met 270 kilovolt, dat is gevaarlijke straling”, zegt de NFI-onderzoeker, die met vijf collega’s is uitgerukt. Pogingen om de houten kist van Henriëtte uit het graf te halen, worden snel gestaakt als de kist dreigt te sneuvelen. Daarop besluit Gerretsen tot een nieuw „aanvalsplan”: het scannen van de kist in de grafkelder.

Een jaar eerder stond Robert Joost Willink ook al voor het familiegraf van de Tinnes. Voor zijn onlangs verschenen boek Graf 106 reisde de historicus langs plekken in Egypte en Soedan die moeder en dochter Tinne anderhalve eeuw eerder aandeden, op wat hun laatste gezamenlijke expeditie zou worden. Het boek eindigt op Oud Eik en Duinen, bij het familiegraf van de freules, waar Henriëtte in 1868, vijf jaar na haar dood in Zuid-Soedan, eindelijk haar laatste rustplaats vond. Eerder was zij, steeds voor korte tijd, in Soedan, Egypte en Liverpool begraven geweest.

Op het moment dat haar moeder in Den Haag werd begraven, trok Alexine door Libië, op zoek naar Touaregs. De jaren daarvoor maakte de inmiddels verarabiseerde Alexine nog een aantal andere reizen. Met een eigen schip voer ze lange tijd over de Middellandse Zee. Voor het eerst in jaren was ze weer even in Europa. In Napels constateerde ze „hoe weinig verschil er is tussen de wilden en de beschaving” en „hoe plat en lelijk Europeanen eigenlijk zijn”.

Daarna vestigde ze zich in Tripoli, waar ze een tijd met haar personeel en veel dieren een groot huis bewoonde. Maar na verloop van tijd kreeg ze genoeg van de vastigheid en maakte ze plannen voor woestijntochten naar de Toearegs, iets wat velen haar vanwege de gevaren ontraadden.

Die waarschuwingen wuifde ze weg. In een brief naar huis lichtte ze toe waarom: „Ik vind niets angstwekkends in de gedachte vrolijk en dapper mijn einde te vinden door een geweerschot of een messteek, in plaats van een saai leven verder te slepen, zoals ik velen heb zien doen.”

Onder de zwervende Berberstammen deed het verhaal de ronde dat een onmetelijke rijke vrouw, met koffers vol goud, de woestijn doorkruiste. Bij haar tweede grote woestijntocht, op 1 augustus 1865, werd de karavaan van Alexine Tinne bij bij de oase Murzuk door een groepje Toearegs overvallen. Na twee houwen met een kromzwaard en een paar sabelsteken in de buik bloedde ze dood. De overvallers dumpten haar lichaam in de woestijn en op een halsdoek na werd nooit iets van haar teruggevonden.

Resten op stro

Om half twee gistermiddag rondt Reza Gerretsen het onderzoek op Oud Eik en Duinen af. De NFI-onderzoeker spreekt van „een groot succes”. Hij heeft de kist van Henriëtte in zes fasen doorgelicht, en daarna nog met een endoscoop in de kist gekeken. Gerretsens eerste bevindingen zijn opmerkelijk: geen tinnen kist en geen opgevouwen skelet. In de kist heeft hij op stro resten aangetroffen „in keurig anatomisch verband”, vermoedelijk verpakt in textielwindingen. Gerretsen: „De koppen van de dijbenen zitten nog in het bekken. Dat betekent dat Henriëtte waarschijnlijk nooit opgevouwen is geweest. Mogelijk is ze gemummificeerd.”

Robert Joost Willink voelt zich „opgelucht” na het onderzoek. „Ik ben blij dat ze nooit opgevouwen is geweest”, zegt hij. Terwijl de NFI-medewerkers hun spullen inpakten, bereidt Willinks zich voor op een besloten plechtigheid. De historicus heeft zich voorgenomen moeder en dochter alsnog te herenigen. Om vier uur ’s middags plaatst hij tijdens een besloten plechtigheid een rood granieten urn in het graf met daarop de tekst: ‘Symbolische bijzetting van Alexine Tinne met Libisch zand’. Het zand kreeg Willink opgestuurd uit Tripoli, waar de ambassadeur het hoogstpersoonlijk met een schepje in de tuin van de ambassade verzamelde. Een foto van die handeling zat bij het zandzakje.

Willink laat ook een exemplaar van zijn laatste boek in het graf achter, verpakt in een negentiende-eeuws houten kistje uit familiebezit. En daarna vindt de beheerder van Oud Eik en Duinen het welletjes. Hij rolt de zerk weer op het graf en belooft dat die er niet meer vanaf zal komen. Eerder wees hij het graf al als beschermd monument aan, zodat het graf niet zal worden geruimd.

Aan het eind van de middag spreekt Willink de hoop uit dat zijn boeken en de publiciteit rond de grafopening Alexine meer roem zullen bezorgen. „Ze was geen ontdekkingsreiziger als Livingstone of Stanley”, zegt hij, „maar wel een reizigster van wereldformaat.” Zo’n nationale figuur verdient volgens de historicus een plek in het Rijksmuseum in Amsterdam. Waarom niet een paar van haar foto’s getoond, of de halsdoek die indertijd na de moord werd gevonden door een bode van de consul in Tripoli? Ze is zo’n eerbetoon waard, zegt Willink, „Alexine ontstijgt het Haagse.” <<