Het is een hondeleven

Joyce Roodnat

Over onzichtbaarheid. De Trevifontein; Mondo cane van Thomas Roma; Vivian Maier.

When in Rome... De Trevifontein is zichzelf niet. Hij staat droog en steigers en plastic bedekken al zijn meters, van onder tot boven, van links tot rechts. „Tot en met 2015”, zucht een politieman. Het klinkt als sint-juttemis.

Voorlopig ben ik dus aangewezen op Fellini’s La dolce vita. De Trevifontein in 1960, met Anita Ekberg erin, haar zwarte blote jurk drijvend om haar heupen. „Marcello…come here…” Schorre stem, Scandinavische tongval, lok-lok-lok.

Ik houd van de Trevifontein. Bernini ontwierp geen beeldengroep, dat is het mooie. Dit gevaarte is één vertelling, één ogenblik. En elke keer dat ik naar Rome mag, ga ik kijken, al was het maar om hem uit dat merkwaardig krappe pleintje te zien puilen.

Normaal gesproken gaat het zo. Al in de steeg naar de fontein toe hoor ik het geraas van het water. Sla ik de hoek om dan voel ik de turquoise koude ervan. En daarna knalt Bernini’s marmeren momentum op me af. Op ooghoogte is een onderwereld, met holen en rotsen. Daarboven spartelen gespierde mannen met vissenstaarten en plonzen paarden met vleermuisvleugels. En weer boven hen komt Neptunus uit een enorme oesterschelp overeind, met kwetsbare, want net iets te lange benen. Zijn marmeren mantel spoelt naar achteren en door die zwevende mantel kunnen we er niet onderuit: alles wat de Trevi toont, speelt zich ónder water af.

Toeristisch? Jazeker. Druk? Altijd. Heel veel mensen willen de Trevifontein meemaken. Ze hebben groot gelijk. Maar nu zijn ze veroordeeld tot een loopbrug over het lege bassin. Daarvoor moet in de rij gestaan worden, waar velen hun verveling verdrijven met hun smartphone. Als ik de berichten moet geloven zijn ze eensgezind giftig op Whatsapp, omdat die hun tegenwoordig inwrijft dat ze genegeerd kunnen worden. Want de vinkjes onder hun chats zijn blauw. En dus zijn ze gelezen. En o wee, de andere partij gaf geen antwoord.

Ik verbeeld me niks, zónder die blauwe vinkjes werd ik ook al genegeerd. En ik negeerde zelf, soms per ongeluk, soms met opzet. Het ouderwetse wachten bij de telefoon is hiermee terug – heel goed, daar word je groot en sterk van. En weerbaar tegen de paranoia. En mild, uiteindelijk word je mild. Dan neurie je die ouwe song van Blondie: Don’t leave me hanging on the telephone...

Afijn, nu negeert de Trevifontein ons hier collectief. En zijn we aan de beurt, lopen we over de brug, dan blijkt dat wat van veraf onzichtbaar was, van dichtbij alsnog nauwelijks te zien is. Maar het maakt niet uit. Iedereen weet wat hij hier moet zien – en zíet dat, in zijn eigen versie. En is tevreden.

Het onzichtbare zichtbaar maken, het onbekende kenbaar. Dat kunnen de kunsten, daar reken ik op.

In het Romeinse modernekunstmuseum MACRO sleep ik me van het ene obligate fotoproject naar het andere. (Kunnen fotografen de komende vijf jaar even afzien van portrettenseries van geïsoleerde, starende mensen?) Maar gelukkig is daar het werk Mondo cane van de Amerikaan Thomas Roma. Een blok van twintig fikse zwartwitfoto’s van honden. Nu ja, van hun slagschaduwen op wit zand. Schaduwen van blaffen, hijgen, kwispelen, pret maken. De leuke huisdieren denk je er automatisch bij. Maar kijk je nog eens, dan zie je agressievelingen in die schimmen. De beste vermomming van het monster is sympathiek-zijn. Pas op voor die vriendelijke figuur in het park.

Vivian Maier verborg haar foto’s zélf. Ze zijn nu dan toch te zien bij FOAM in Amsterdam. Maier fotografeerde haar leven lang, altijd buiten op straat, meestal in de zon. Maar ze liet die foto’s aan niemand zien, en uiteindelijk ook niet meer aan zichzelf: in haar nalatenschap zaten honderden niet ontwikkelde fotorolletjes. Maier was geen fotografe, ze was een fotomaakster – haar beelden lijken vooral een bijproduct van haar existentiële ongemak in een wereld die geen poot uitstak om dat te verlichten.

Maier verdiende de kost als kinderjuf in Chicago maar ze was niet de vrolijke nanny Fine („Mister Sheffield…”). Bozig was ze, onvoldaan, ze legde het vast in zelfportretten, in spiegels en winkelruiten en via haar slagschaduw. Zo liet ze zich kennen – en dat mocht niemand zien. Onthutsend zijn haar foto’s van kinderen, haar kijk op de kern van haar leven. Tranen, verveling, verwaarlozing. Oude zielen in bolle lijven. Klein zijn is klote.