Gezicht tekenen

Fictie Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit de nieuwe roman van Christiaan Weijts. In een Brussels restaurant is cartoonist Simon Sinkelberg ontboden voor een gesprek met een pr-medewerker van een telecombedrijf dat hij heeft bespot.

‘Meneer Sinkelberg, u heeft een schitterend beroep.’

Simon kijkt de man strak aan, alsof hij het compli- ment dat als een glazen wand tussen hen in is komen hangen met zijn blik kan versplinteren. Het is niet Brian Bones zelf, maar een van zijn Belgische collega’s, Kris Stemels of Teemets of Theemuts; Simon kon hem niet goed verstaan, zoals hij nooit iemand verstaat die zich voorstelt met voor- en achternaam – voor de drager zelf zo’n vertrouwde, versteende woordcombinatie dat die blijkbaar niet langer nog de moeite van het fatsoenlijk articuleren waard is.

‘Werkelijk. Ik volg uw werk al een hele tijd. En ik ben bijzonder onder de indruk. De manier waarop u gezichten tekent! Portretten. Levensecht. In een paar streken. Een paar lijnen maar. Dat is ongelooflijk.’

Kris Theemuts behoort tot het soort mensen bij wie je de vacaturetekst voortdurend door hun optreden heen ziet schemeren. Beschikt over uitstekende contactuele vaardigheden.

‘Ik probeer ook weleens wat. In m’n vrije tijd. Aquarellen. Potloodtekeningen. Maar portretten, dat vind ik het lastigste. Hoe doet u dat toch? Gaat het om de verhouding tussen de ogen, of om de mond? Tekent u eerst het ovaal van het hoofd, of begint u meteen bij details?’

‘Ik denk niet dat we hier in Brussel zitten voor een tekenlesje.’

Met een trefzekere beweging verwisselt Simon het bestek links en rechts van zijn servet en hij kijkt de man dan uitdagend aan, alsof hij net een revolver op tafel heeft gelegd.

Langs de glas-in-loodramen passeert een fanfareorkestje, de muziek amper hoorbaar, van wie de leden allemaal in hetzelfde licht- en donkerblauwe satijnen kostuum zijn gehuld.

‘O, maar ik zou het graag weten. Ik zou het dolgraag weten, maar ik begrijp dat u uw geheim niet gaat verklappen. Dat is jammer. Temeer daar ik uw werk, zoals gezegd, zeer bewonder.’

Hij gaat verzitten, vouwt zijn handen achter zijn hoofd en neemt Simon eventjes peinzend op. Heeft een scherp analytisch vermogen. Dan buigt hij zich razendsnel naar hem toe om op samenzweerderige toon te vervolgen: ‘Ik bewonder uw werk, maar het zal u ook niet verbazen dat ik met sommige van uw cartoons toch minder content ben.’

‘Ik ben niet gaan tekenen om u of wie dan ook contént te maken,’ zegt Simon en wenkt de bediening.

‘Ha, nee! Het idee alleen al. Wat gaat het zijn? De vis van de dag moet hier uitmuntend zijn.’

‘Ik neem de uiensoep.’

‘Zo u wilt. Zo u wilt.’

Op de menukaart ziet hij het logo van het restaurant, een variant op het rijkswapen van Brussel: de aartsengel Michaël, in de gedaante van een gevleugelde ridder, steekt, uiteraard met zijn rechterhand, een lange lans omlaag, in het hart van een duivel die onder zijn voeten ligt – diens lange gespleten tong kronkelt uit zijn bek.

‘Nu,’ vervolgt Kris Theemuts, en doet alsof hij even nadenkt. ‘U heeft een groot talent. U maakt de mensen aan het lachen. En soms ontroert u ook. Nee, werkelijk, meneer Sinkelberg, u ontróért. En juist daarom is het zo spijtig dat uw talent voor satire soms omslaat in hetze, dat de grens tussen bespotten en beschadigen niet altijd even helder is. Nee, laat mij uitpraten. Mijn gevoel zegt dat u uzelf daarmee tekortdoet. Zeker in uw positie. Zeker op dat geweldige podium dat u tot uw beschikking heeft. De voorpagina! De voorpagina van een landelijk dagblad.’

Nog voor Simon het zegt heeft hij er al spijt van. Toch ontsnapt het hem: ‘Bij De Spiegel ben ik net weg.’

‘Dat is mij bekend.’

Is zijn vertrek al wereldkundig gemaakt? Of heeft Ronald weer onverstoord een tekening van de plank geplukt? Voor het eerst vandaag vraagt hij zich af hoe de maandagkrant eruitziet.

‘En gisteren in de namiddag heeft u hetzelfde werk aan Ralph Boeken van De Ochtend aangeboden.’

‘Als u dat zegt.’

Een serveerster, een kind met paardenstaart, verwisselt zijn gespiegelde bestek voor een lepel, die Simon meteen, beledigd alsof ze haar middelvinger naar hem heeft opgestoken, naar de linkerkant verplaatst terwijl zij bij Kris Theemuts een gekarteld mes voor een vismes verruilt.

Simon knikt en brengt een gemompeld ‘merci’ uit, deels om iets van zijn bruuske lepelverplaatsing te compenseren, deels omdat hij nooit weet of het gepast is om te bedanken voor al die minimale handelingen in de categorie servies verstrekken en peper-en-zoutstelletje stallen.

‘Dat zeg ik inderdaad. En ik zou daar graag iets aan toevoegen.’

Nu schenkt het kind twee glazen water in, waarop Simons ‘merci’ net iets nadrukkelijker klinkt, al waakt hij voor al te grote uitbundigheid; er volgen per slot van rekening nog handelingen genoeg die aanleiding kunnen zijn tot gepassioneerder dankbetuigingen.

‘Ik zou daaraan toe willen voegen dat ik liever niet heb dat u tekeningen publiceert die het imago van ons bedrijf schaden.’

Daarop kijkt de man hem strak maar ook wat melancholiek aan, de wenkbrauwen opgetrokken. U combineert een goede mondelinge presentatie met overtuigingskracht.

‘Ik heb liever niet dat uw bedrijf mijn privacy schendt, en die van duizenden anderen.’

‘Ik heb iets voor u dat u mogelijk op andere gedachten kan brengen.’

‘Ik kan mij niet voorstellen dat zoiets bestaat.’

‘Toch wel. Toch wel, ben ik bang.’ Hij bladert door de leren map die kennelijk al die tijd naast hem op tafel heeft gelegen en die Simon voor de wijnkaart heeft aangezien, en pakt één blad tussen duim en middelvinger beet. ‘Ik kan me in elk geval niet voorstellen dat u erg blij zult zijn als ik dit naar buiten breng.’

Exact bij ‘dit’ trekt hij, met een irritant soort choreografische precisie, het blad uit de map en legt het voor Simon op tafel zonder zijn reactie af te wachten; hij bladert quasi-verstrooid door alsof hij nog iets zoekt, alsof het toch een wijnkaart is.

Vijf tellen blijft Simon onbewogen naar het papier staren.

‘Waar komt dit vandaan?’

Kris Theemuts kijkt op, losgerukt uit diepzinniger mijmeringen.

‘Ach, je vindt weleens wat. Iedereen heeft zo z’n talenten. U tekent. Ik vind af en toe iets. Allemaal niets geheimzinnigs aan. Voor mij niet althans. Zoals dat portretteren voor u niet geheimzinnig is. Hier, meneer Sinkelberg. Ik geef u mijn visitekaartje. Voor als u van gedachte verandert. Voor als u me toch eens wilt verklappen hoe u dat doet. Zo’n treffend portret, in een paar lijnen. Ach, geheimen... Als u het uwe verklapt, verklap ik het mijne.’

Zonder te spreken schuift Simon zijn stoel naar achteren, staat op, passeert het paardenstaartmeisje dat net twee grote witte borden op haar vingertoppen omhoog houdt, zijn uiensoep en de man zijn dagvis, en hij verlaat het restaurant. Als hij buiten langs het traliewerk bij het raam loopt, ziet hij de man onverstoord wat water bijschenken en zijn mond droogdeppen.

Simon loopt de Beenhouwersstraat uit, waar overserviele obers en serveersters de toeristen door hun deuropeningen proberen te drijven, en hij keert terug op de Grote Markt. In het overdadige suikerwerk van de gevels ontwaart hij een gouden klok die tien voor één aanwijst.