Feike Boschma werd soms bijna gewurgd door zijn eigen poppen

Feike Boschma (1921-2014)

De poppenspeler stond altijd zichtbaar naast zijn poppen.

Een lapje tule, een paar stokjes en één of twee draadjes – meer was het meestal niet. Maar met dat sjofele materiaal kon poppenspeler Feike Boschma hele drama's in beweging brengen die pas weer tot stilstand kwamen als hij het achteloos op de grond liet vallen, alsof er nooit enig leven in had gezeten. Natuurgetrouwe poppen waren het zelden, de pure suggestie moest al het werk doen. En daarin excelleerde hij; van bijna niets maakte hij bijna alles.

Feike Boschma, die gisteren op 93- jarige leeftijd overleed, was decennialang de beste poppenspeler van het land. Als jongetje uit het Friese boerendorp IJsbrechtum keek hij zijn ogen uit bij de goochelaars en de clowns in de circusjes die naar de Sneeker kermis kwamen.

Tijdens de Duitse bezetting begon hij poppetjes in elkaar te zetten om daarmee theaternummers te maken. In de loop van 1946 meldde hij zich brutaalweg aan bij Wim Sonneveld, die destijds een vederlicht, ietwat poëtisch getint cabaretensemble leidde. Sonneveld vond het een intrigerend experiment om zijn programma te larderen met poppenspel. Boschma’s eerste nummer was een in scène gezet sprookje van Godfried Bomans.

In de daaropvolgende vijftig jaar werkte Feike Boschma in veel verschillende theaterproducties, van jeugdvoorstellingen bij het Amstel Toneel tot en met comedyshows met de hoekige mime-artiest Rob van Houten.

Hij maakte het tot zijn handelsmerk zelf, als zichtbare poppenspeler, naast de poppen te staan – alsof de pop en hij in een dialoog verwikkeld waren. Ook dreigde zo’n pop wel eens de poppenspeler te wurgen. „Jij bent de baas”, zei hij in deze krant, „jij brengt een lapje tot leven, dat loopt uit de hand, het lapje keert zich tegen zijn schepper en dan ben jij weer degene die daar een eind aan maakt”.