Epiloog

De mooie, minder mooie, trieste en… uiteindelijk bittere ervaringen van een reserveofficier – dat was de titel die Kuikenga in 1995 meegaf aan zijn (ongepubliceerde) memoires, die zich nu in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) bevinden. Daarin schrijft hij maar zeer kort over zijn gefnuikte onderzoek op Bali. Toch is het moeilijk om geen verband te zien tussen het onderzoek in de laatste jaren van zijn militaire loopbaan en het gevoel van miskenning over betuigde „loyaliteit aan het Vaderland”, dat hem vervolgens in zijn „hemd heeft laten staan”.

Overigens kreeg hij al sinds 1942 geen salaris meer betaald en ontving hij geen Indisch pensioen. Kuikenga, die in 1949 met zijn gezin naar Nederland kwam, was al zijn bezittingen in Indië kwijtgeraakt en moest „van een wachtgeld van fl. 156,66 per maand zien rond te komen.”

Defensie riep hem nog twee keer als reserveofficier op, maar bleek hem zonder zijn medeweten tot luitenant te hebben gedegradeerd, waardoor hij dienst weigerde. Op brieven die hij naar Defensie stuurde over zijn behandeling kreeg hij geen reactie, wat hij als „goedwillend Nederlands onderdaan” die „voor zijn land absoluut zijn plichten is nagekomen” als een enorme belediging opvatte. „Dat men mij niet eens een fatsoenlijk antwoord waardig acht, wijst er wellicht op dat mijn verrichtingen in de ogen van de overheid onvoldoende zijn geweest.”

Volgens zijn dochter, Wieneke Stolp, die als baby en peuter op foto’s uit hun Indische jaren is te zien, had haar vader „geestelijk een enorme klap” gekregen. Maar ze is verrast als ze over haar vaders onderzoek op Bali hoort. Daarover zou hij nooit hebben gesproken. Ze twijfelt echter geen seconde aan zijn bevindingen. „Mijn vader was zeer perfectionistisch en plichtsgetrouw”, zegt ze.

De behandeling in Nederland na zoveel trouwe dienstjaren en krijgsgevangenschap was voor hem dan ook onverteerbaar, aldus Stolp. „Het was een kwestie van eer. Als er ooit weer oorlog kwam, wilde hij niets meer doen voor dit land.”