Enquêtes parlement als politieke selfies

1 november 2014 – Parlementaire enquêtes en – onderzoeken zijn de champions league  van het parlementaire werk geworden. Zij bieden de mooiste tv-momenten, de beste scoringskansen.  Zelden wordt de politieke controletaak van het parlement zo intensief beleefd. Deze maand presenteerden twee zulke commissies  hun niet-malse verslag. Waarom kan de Kamer  de rest van het jaar

1 november 2014 - Parlementaire enquêtes en – onderzoeken zijn de champions league  van het parlementaire werk geworden. Zij bieden de mooiste tv-momenten, de beste scoringskansen.  Zelden wordt de politieke controletaak van het parlement zo intensief beleefd. Deze maand presenteerden twee zulke commissies  hun niet-malse verslag. Waarom kan de Kamer  de rest van het jaar niet vlammen?

Het gaat tegenwoordig vaak om onderzoeken  naar wat er fout ging tussen Kamer en kabinet.  Dat gold ook bij de laatste twee: naar het ICT-beleid bij de rijksoverheid, en die van donderdag,  naar wat er mis ging bij de woningbouwcorporaties. In beide gevallen gaf de Kamer de regering  ruimte om overheidswerk uit te besteden aan  marktpartijen, die te vaak niet naar behoren leverden. Op beide terreinen zat het Rijk er niet  bovenop en liet de Kamer dat jaren toe.

Moderne parlementaire enquêtes hebben een  hoog zelfkastijdingsgehalte. In de 19e eeuw,  toen het middel tot ontwikkeling kwam, werden  vooral vermeende maatschappelijke misstanden onderzocht. ‘De toestand van de zeemacht’  (begonnen in 1861) – kan nu voor de hele krijgsmacht worden herhaald. ‘Besmettelijke longziekte onder rundvee’ (1877) – een voorloper  van de parlementaire enquête Q-koorts? ‘De  toestand in fabrieken en werkplaatsen’ (1886) -  het  begin van arbeidswetgeving.

Na een enquête-sluimer van zestig jaar volgde  de parlementaire enquête over het ‘Regeringsbeleid in de Tweede Wereldoorlog’ (1947-1956).  Pas met de RSV-enquête (1983) kreeg het parlement de smaak te pakken. Met die naar het Paspoortproject (1988) werd de toon gezet van het  zoeken naar schuldigen. De journalistieke behoefte aan een krachtige conclusie ging de politieke werkelijkheid bepalen. Aftredende bewindslieden, dat was mooi nieuws, desnoods  voor  falen in een vorige positie.

Van maatschappelijk onderzoek werd de enquête een afdaling in de krochten van het openbaar  bestuur. Kamerleden ontdekten wat zij anders  zelden te zien krijgen; zij zijn meestal opgetogen  over de ervaring eindelijk eens dichtbij de werkelijkheid te komen. Ook al is dat vooral de bureaucratische werkelijkheid.

En daar zit precies de makke van het parlementaire onderzoekswapen zoals het zich heeft ontwikkeld. Reken maar dat de enquête die nu nog  bezig is naar de Fyra-aankoop door de NS weinig reizigers en machinisten zal tegenkomen.  Natuurlijk delen de commissieleden de wanhoop van velen dat de reis per trein naar België  nog steeds per postkoets over de snelweg verloopt. (Ja, ik overdrijf, een Thalys-kaartje boeken kan ook, duurder en omslachtiger dan nodig zou moeten zijn.) Maar hun onderzoek gaat  over aanbestedingen, contracten, certificeringen – en waarschijnlijk niet over de haperende  halfprivatisering van de spoorwegen.

De Kamer is deel geworden van de bedrijfsmatige logica van de rijksoverheid. De zelfkritiek  gaat er meestal over dat we als Kamer binnen  die logica ons partijtje niet goed genoeg hebben  meegeblazen. Welke enquêtecommissie zag  kans die overmatige inbedding in het bestuur- dat-zich-bedrijf-waant aan te wijzen als fundamentele oorzaak van het falend parlementair  toezicht? Er schiet geen voorbeeld te binnen.

Dat wil niet zeggen dat de laatste enquêtecommissies nutteloos werk hebben gedaan. Integendeel. Beide hebben bijzonder grondig onderzoek gedaan. De ICT-commissie heeft glashelder beschreven hoe ministers,  vaak opgejaagd door de Kamer, geweldige ambities koesteren om overheidstaken te automatiseren. Dat varieert van toeslagen en uitkeringen, de werk.nl-website tot en met de tunnels in  de A73 bij Venlo. In vrijwel alle stadia weet de  overheid als opdrachtgever te weinig, wil te veel  en houdt geen overzicht, met alle dramatische  gevolgen van dien. De ‘volledig elektronische  overheid in 2017’ blijkt een illusie.

Bij de sociale woningbouw stelt de commissie  vast dat vrijwel zodra de CDA’er Heerma de sector met bruidsschat had verzelfstandigd begin  jaren ‘90 de excessen, die nu hebben geleid tot  de enquête, zich al voordeden. De staatssecretaris greep snel in, zonder veel succes. Latere bewindslieden hadden uiteenlopende motieven  om de woningbouwcorporaties erg vrij te laten.  De ideologie van zelfregulering voor de een, van  ondernemingsvrijheid voor de ander, uitruil  van toezicht voor extra sociale taken voor de  volgende. En dat in een instabiele  periode met  veel wisselingen van politiek personeel.

Het zijn geen geruststellende plaatjes. De remedie in beide gevallen is slimmer, krachtiger toezicht. Voor de overheidsautomatisering een Bureau ICT-toetsing (BIT) vlakbij de minister-president, als superdeskundige sluiswachter en badmeester. Voor de sociale woningbouw een Autoriteit woningbouwcorporaties die in de plaats  komt van het versnipperde toezicht, dat faalde  bij Vestia, Rochdale en de rest.

BIT is uitdrukkelijk bedoeld als tijdelijk paardemiddel, voor vijf à zeven jaar. De commissie  hoopt dat wat in decennia is gegroeid, waar eerder al een Expertisecentrum voor kwam en verdween, nu zal genezen door een schoktherapie  van talent en rijksbrede bevoegdheden. Een  ambtelijke oplossing voor een bureaucratie-probleem. Meer centralisering waar de illusie dat er  één rijksoverheid bestaat misschien wel een belangrijk onderdeel van het probleem is.

Bij de sociale woningbouw blijft vrijwel onbenoemd het ontbreken van de bewoner in wat  begon als coöperaties van burgerinitiatief. Toch  maar commercieel, maar nu sober en sociaal?  Leve de al maar dominantere rijksoverheid met  zijn mond vol decentralisatie. Naarmate de  overheid minder autoriteit heeft worden meer  Autoriteiten in het leven geroepen.

email: opklaringen@nrc.nl; twitter: @marcchavannes