Een vuil oorlogje op Bali

Nederlandse gezagsdragers runden Bali na de oorlog als hun particuliere koninkrijkje. Een vernietigend officieel rapport over corruptie en intimidatie werd weggewerkt. Net als de man die het schreef, blijkt uit recent ontdekte documenten. Door Anne-Lot Hoek

Boven: Sawa’s – natte rijstvelden – op Bali in 1947. Rechts: Nederlandse soldaten van het Regiment Stoottroepen in Denpasar op Bali. Foto’s spaarnestad en NIMH

14 maart 1948. Het is bijna middernacht als de handgranaat naar binnen vliegt. Theo van Meerwijk, hoofd van de militaire politie op Bali, springt in een reflex op vanachter zijn bureau en duikt naar buiten. Als hij even later asgrauw en trillend op zijn benen naar het gat in de cementen vloer staart, dat de granaat heeft geslagen, rinkelt zijn telefoon.

Kapitein Treffers, hoofd van de militaire inlichtingendienst (MID) op Bali, wil weten „wat er in godsnaam is gebeurd”. Tien minuten later verschijnt Treffers in persoon met vier man, en arresteert Van Meerwijk. De 31-jarige sergeant-majoor „stond verward in zijn onderkleding met een pistool in zijn hand”, zou Treffers later verklaren. „Aangezien hij nog wel eens met zijn dronken kop een vuurwapen had afgeschoten, meende ik dat hij vast weer een rare streek had uitgehaald.” Mogelijk heeft Van Meerwijk „zelf een hand in de kwestie” gehad, aldus Treffers.

Van Meerwijk wordt vastgezet. De psychiater die hem tijdens zijn zestien dagen cel onderzoekt constateert een ‘paranoïde psychose’. „Patiënt denkt dat ieder zich tegen hem samenspant.”

Niet lang na de aanslag stuurt generaal Spoor, commandant van de 140.000 Nederlandse militairen in Nederlands-Indië, een officier van Batavia naar Bali. Hij moet grondig onderzoek doen naar vermeende ‘wantoestanden’, waarover Van Meerwijk inmiddels heeft gerapporteerd. Het onderzoek begint in oktober 1948 en zou tot eind december duren. Het dossier – getuigenverhoren, verklaringen en het proces-verbaal dat het eindverslag vormt – leest als een duistere thriller. Het maakt aannemelijk dat de militaire en burgerlijke autoriteiten op Bali corruptie, diefstal en handel in gestolen goederen mogelijk maakten en toedekten. En ook dat Treffers’ militaire inlichtingendienst op grote schaal gevangenen martelde.

Toch volgde geen enkele maatregel tegen het militair-civiele establishment op Bali. De officier die het onderzoek verrichtte en het proces-verbaal schreef, werd op een zijspoor gerangeerd. Een jaar later, in 1949, zou Nederland de Indonesische onafhankelijkheid erkennen. Het omvangrijke dossier vol onverkwikkelijks uit de jaren daarvoor verdween – letterlijk – in een la bij Defensie. Sinds 2006 lag het onopgemerkt in het Nationaal Archief in Den Haag.

Eerdere onderzoeken richtten zich op zogenoemde ‘geweldsexcessen’ in Indonesië. Dit dossier laat juist goed zien – en dat is nog lang niet door historici uitgezocht – hoe geweld en intimidatie het karakter van het koloniale systeem kenmerkten.

In maart 1946 landden zo’n tweeduizend Nederlandse militairen van het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) met Britse landingsvaartuigen op Bali. Met een ceremonie waarbij Japanse officieren hun samoeraizwaarden inleverden, namen de Nederlanders het gezag na drieënhalf jaar Japanse bezetting terug. Op veel verzet van de hindoeïstische bevolking werd niet gerekend, maar toch ontbrandde ook op Bali al snel de onafhankelijkheidsstrijd, waarbij Nederlandse militairen het vrijheidsstreven met veel geweld de kop in probeerden te drukken.

Zoals elders was ook op Bali een klein contingent van het Korps Militaire Politie/Koninklijke Marechaussee aanwezig, herkenbaar aan de witte helm, bekend als de ‘kalkemmer’. Hun taak was het opsporen van kleinere en grotere strafbare feiten onder militairen, van diefstal tot desertie. Sergeant-majoor Theodorus van Meerwijk, een Amsterdamse oorlogsvrijwilliger en betrokken bij het verzet, was sinds 1947 MP-commandant in Denpasar.

Schot in de lucht

Een maand na de aanslag schrijft Van Meerwijk zijn hoogste chef, de commandant van het MP-korps in Batavia, dat Nederlandse gezagsdragers op Bali en het naburige eiland Lombok zich inlaten met zwarthandel, afpersing en smokkel. En dat hij bij zijn onderzoek wordt tegengewerkt door het troepencommando. „Er werd daar vanuit gegaan dat het KNIL 300 jaar geen MP gekend had, en het nu ook niet nodig was.”

Als Van Meerwijk twee MP’s naar Singaradja (in het noorden van Bali) stuurt om betrouwbare tips over corruptie na te trekken, wordt het duo door de troepencommandant op Bali, majoor König, teruggeroepen. Een collega waarschuwt hem daarop voorzichtig te zijn; anders kon het wel eens „verkeerd” met hem aflopen.

Van Meerwijk krijgt inlichtingen dat ook op Lombok staatsgeld wordt verduisterd en fraude gepleegd. Maar de auditeur militair – officier van justitie voor de krijgsraad op Bali – laat hem weten geen onderzoek in te stellen, omdat anders „heel Lombok en half Bali in de rechten zou worden betrokken en deze zaak zich niet alleen uitstrekte tot het mindere personeel”.

Met lede ogen ziet Van Meerwijk aan hoe troepencommandant König bevoegdheden van zijn mensen inperkt. Of ze worden overgeplaatst. Bij zijn directe chef, die op Celebes kantoor houdt, krijgt hij geen gehoor. „Door al deze tegenwerking werd ik zenuwachtig”, zal hij later verklaren. Dan raakte hij „wel eens dronken of loste in een driftbui een schot in de lucht”.

Vlak voor het handgranaatincident kreeg Van Meerwijk ook nog een zedenzaak aan zijn broek. Hij werd ervan beschuldigd een vrouw uit Siam [het huidige Thailand] te hebben verkracht. Daar blijkt – na onderzoek – geen grond voor te bestaan. Het verbaast hem dat die zaak werd opgeblazen. Want volgens Van Meerwijk was het juist de MID die zich schuldig maakte aan geweld. Gevangenen worden tijdens verhoren mishandeld: „elektrificeren, branden met kruitstaafjes, gebogen over een kookplaat waardoor de geslachtsdelen schroeien” en ook worden „tijdens acties gemaakte gevangenen met gespleten bamboe op hun rug afgeranseld in het bijzijn van officieren”.

Dwarskijker

In Batavia wordt Van Meerwijks noodkreet gegrond bevonden. Als in Surabaya, waar hij inmiddels naartoe is overgebracht, door twee artsen wordt vastgesteld dat er aan zijn geestelijke toestand niets mankeert, is de maat voor Batavia vol. „Men probeerde Van Meerwijk als dwarskijker weg te krijgen”, noteert de commandant van het MP-korps. Generaal Spoor stemt in met een onderzoek.

Op 9 oktober 1948 landt kapitein Sjoert Kuikenga op het vliegveld van Denpasar. De 35-jarige Amsterdammer is sinds 1935 als beroepsmilitair in Nederlands-Indië, waar hij trouwde met de Nederlands-Indische Alma de Lang. Na de Japanse inval in 1942 was hij als krijgsgevangene geïnterneerd in verschillende kampen op Java. Het kost geen moeite om de boomlange Kuikenga – hij was bijna twee meter – op foto’s uit die tijd te herkennen, marcherend aan het hoofd van een troep witgehelmde MP’s. Direct na de bevrijding werd hij weer onder de wapenen geroepen, en eind 1946 overgeplaatst naar de militaire politie.

In Denpasar neemt Kuikenga zijn intrek in het koloniale Bali Hotel. Daar ontmoet hij zijn assistent, sergeant William Wijnhamer. De komende drie maanden, tot 20 december 1948, zullen zij tientallen betrokkenen horen in verschillende zaken. Wijnhamer ontfermt zich over het vermoedelijk grootste dossier: de smokkelhandel en corruptie in Singaradja. Kuikenga houdt zich bezig met verhoren in Denpasar en zaken als verduistering van legermateriaal.

Uit zijn dienstverslagen aan Batavia wordt duidelijk dat hij en zijn assistent in een intimiderend spiegelpaleis zijn beland. Zo meldt Kuikenga dat „de gekste en meest luttele gevallen” op Lombok zeer nauwkeurig werden uitgezocht, terwijl zaken van meerdere betekenis „ogenschijnlijk geheel in de doofpot zijn gestopt”.

Overal waar Kuikenga en zijn assistent gaan, worden ze geschaduwd, schrijft hij naar zijn baas. Veel betrokkenen zwijgen uit angst voor het hoofd van de MID, kapitein Treffers. Voor en nadat ze bij Kuikenga verschijnen, moeten ze bij Treffers komen. Het blijft niet bij intimidatie. Op het MID-kantoor in Singaradja wordt iemand doodziek na het drinken van een kop koffie op Wijnhamers kamer. Kuikenga aan Batavia: „Vermoedelijke poging tot vergiftiging van Wijnhamer. Wordt nader onderzocht.”

Toen rechter F. Vermeulen begin 1948 op Bali arriveerde, kreeg hij „al zo’n gevoel van geheimzinnigheid over zich”, zegt hij. De president van de krijgsraad in Denpasar is als een van de weinigen zeer open tegen Kuikenga en is niet verbaasd over diens observaties. Ambtenaren probeerden invloed op zijn vonnissen uit te oefenen, de MP werd belemmerd in het uitvoeren van haar taak en de Staatspolitie (lokale politie) in Singaradja was corrupt. „Ernstige feiten” konden zo ongestraft gepleegd worden, en de MID van Treffers zat daarbij „overal met zijn neus in en maakt het vaak te bont”, aldus Vermeulen.

Een voorbeeld is een zedenzaak waarbij zeven minderjarige Balinese meisjes – verdacht van betrokkenheid bij het verzet – aangifte deden van verkrachting door Nederlandse militairen tijdens hun verhoor. Treffers had de zaak aan de MP moeten overdragen voor een officieel politie-onderzoek, maar loste het zelf op door de verdachten een paar weken vast te zetten. Vermeulen lijkt wel begrip te hebben voor justitie, die zaken waarin Nederlandse militairen betrokken waren, leek te zijn „vergeten”. Het verzet beging zoveel misdaden – vooral tegen pro-Hollandse Balinezen dat justitie „minder ernstige feiten” uit tijdgebrek terzijde schoof.

Ook was het onmogelijk burgerverdachten zoals politiebeambten „knijp” te zetten: de gevangenissen waren overvol. Om die reden was bijvoorbeeld een zaak met 96 verdachte verzetsstrijders in slechts vijf dagen met vele doodstraffen afgedaan, waarbij de beklaagden – „vreemd” genoeg, aldus Vermeulen – niet door een verdediger waren bijgestaan.

Koninkrijkje

Intussen ontdekt Kuikenga’s assistent Wijnhamer dat sergeant Van Eyden, afdelingschef van de inlichtingendienst in Singaradja, méér doet dan spionnen runnen en smokkelaars vangen. Hij profiteert ook zelf van de smokkel. Hij is de spin in een web van Chinese handelaren, Balinezen en corrupte politie- en douanebeambten. Volgens verschillende getuigen zou Van Eyden Noord-Bali als zijn particuliere koninkrijkje bestieren. In beslag genomen goederen, zoals koffie en suiker, werden met grote winst doorverkocht. Zowel binnen als buiten Bali. Inspecteurs van de Staatspolitie kochten koffie, kippen, varkens en eieren voor bodemprijzen op, en verkochten ze buiten Bali, waarbij Nederlandse ambtenaren een oogje toe zouden knijpen. Daarnaast getuigden meerdere onderofficieren over sabotage: wapens en munitie werden, als het uitkwam, tegen betaling ‘uitgeleend’ aan Indonesische verzetsstrijders. Volgens een verhoorde luitenant wist „praktisch iedere ingezetene” dat er „ongelofelijk veel gesmokkeld werd” en waren de politie en de legerleiding daar ook van op de hoogte. Ook Treffers, zijn directe superieur, wist dat „Van Eyden weleens iets te ver ging”, maar „door de (moeilijke) politieke omstandigheden” was een sterke man als Van Eyden daar nu eenmaal nodig.

Van Eyden moet zich onkwetsbaar hebben gevoeld. Op borrels en partijen gaf hij graag hoog op van zijn vergaarde rijkdom. Toch leek het bijna niemand te interesseren hoe hij daaraan gekomen was. Het moet hard zijn aangekomen toen een nieuw aangestelde officier de sergeant zijn macht uiteindelijk ontnam en de opdracht gaf dat Van Eyden naar Nederland terug moest. Een dag na die aanzegging sneuvelde de betreffende officier echter onder vreemde omstandigheden.

Kat-en-muisspel

Om de zaak rond te krijgen moeten Kuikenga en Wijnhamer ook ‘burgers’, zoals ambtenaren en politie kunnen verhoren. Maar daar loopt het onderzoek vast, want resident Boon, de hoogste civiele bestuurder op Bali en Lombok, ziet dat niet zitten. Na een kat-en-muisspel tussen Boon en Kuikenga en een aarzelend hoofd van justitie in Batavia die geen verantwoordelijkheid durft te nemen, wordt officier van justitie J. Kruythof met de kwestie opgezadeld. Die besluit ten slotte: geen toestemming.

Tegelijkertijd probeert de resident Kuikenga via Batavia het werk onmogelijk te maken. In een rechtstreeks aan generaal Spoor gerichte brief maakt Boon ernstige bezwaren tegen het onderzoek. „Het is absoluut ontoelaatbaar op grond van allerlei losse geruchten actie te nemen en in het wilde weg personen te horen”, aldus Boon. Het optreden van Kuikenga zou kunnen leiden tot „verwarring en verstoring van lopende politieonderzoeken en het in de wereld helpen van gevaarlijke geruchten die tot gezagsondermijning leiden”, waarbij de resident zich zorgen maakte over „diverse te goeder naam en faam bekend staande personen” die „een corrupte rol wordt toebedeeld”.

Hoewel Kuikenga de betrokkenheid van het militair-civiele establishment niet hard krijgt, schrijft hij na drie maanden onderzoek een proces-verbaal. Uit zijn 36 pagina’s komt het beeld naar voren van een legerleiding die eigen regels hanteert en onvoldoende toezicht heeft op de troepen „waardoor het mogelijk werd dat goederen uit legerdumps konden worden gehaald, dat personeel deelnam aan smokkelhandel, verduistering van distributiegoederen, het buiten hun soldij ontvangen van andere inkomsten, het verkopen van staatsgoederen en het verrichten van diensten niet behorende tot hun functie”.

De inlichtingendienst was daarbij oppermachtig omdat troepencommandant König „de MID als zijn politieapparaat” beschouwde terwijl de MP van zowel König als Treffers weinig medewerking kreeg in het uitoefenen van haar taak. Ook concludeert Kuikenga dat ambtenaren betrokken zijn bij zwarthandel op Lombok en acht hij het horen van burgers „dringend noodzakelijk” om de zaak in Singaradja rond te krijgen.

Geheime brief

Op 20 december 1948 vliegen Kuikenga en zijn assistent terug naar Batavia. Hoe het afloopt, wordt niet duidelijk uit het opmerkelijke dossier dat Defensie in 2006 aan het Nationaal Archief overdroeg en dat sindsdien openbaar is. Een jaar later maakt Kruythof korte metten met Kuikenga’s bevindingen. In een geheime brief aan justitie in Batavia meldt hij dat Kuikenga zich had gebaseerd op het rapport van een „overspannen sergeant-majoor, die in een zedenzaak verwikkeld was” en zich kennelijk uit „eigen moeilijkheden poogde te redden” – de zaak-Van Meerwijk en de handgranaat.

Als het echt zo’n bende op Bali en Lombok zou zijn geweest, dan hadden Kuikenga en Wijnhamer „toch stellig een massa belangrijke en concrete feiten” moeten ontdekken, schrijft Kruythof. Van de ontmaskering van „een groots schandaal” was dan ook volstrekt geen sprake. Sterker nog: de koffiesmokkel – een verwijzing naar de Singaradja-zaak die aan de Staatspolitie was overgedragen – was inmiddels volledig berecht. Er waren „tweehonderd getuigen gehoord” en „van enige medeplichtigheid van militairen en politie was niets gebleken”, aldus Kruythof. „Alleen tegen een kamponghoofd is naar ik meen een zaak aanhangig gemaakt.”

Wie het hardst naar Batavia schreeuwde, werd blijkbaar het best gehoord, want het onderzoek naar de ‘wantoestanden’ van Kuikenga leidde niet tot een grootscheepse schoonmaak onder de autoriteiten op Bali en Lombok. Inmiddels was het ook al 1949, generaal Spoor was overleden en eind dat jaar erkende Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië. Terwijl op Bali hard werd afgerekend met mensen die als spion of tolk met de Nederlanders hadden gecollaboreerd, werden de meeste KNIL-militairen naar Nederland gerepatrieerd. Hoe kon dit onderzoek zolang onder het stof verdwijnen? „Het was een wilde tijd”, reflecteert een verhoorde luitenant op de chaotische toestanden na de landing op Bali. De aandacht lag bij de bestrijding van het verzet, niet bij de interne aangelegenheden van het leger zelf. Veel ondervraagde militairen vonden dat toen logisch, dat hoort nu eenmaal bij een oorlog. Maar bijna zeventig jaar later is dat een dun excuus om ons te blijven richten op ‘ontsporingen van geweld’ in plaats van het gewelddadige karakter en de onderdrukking die inherent waren aan onze vuile oorlog.

Epiloog

De mooie, minder mooie, trieste en… uiteindelijk bittere ervaringen van een reserveofficier – dat was de titel die Kuikenga in 1995 meegaf aan zijn (ongepubliceerde) memoires, die zich nu in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) bevinden. Daarin schrijft hij maar zeer kort over zijn gefnuikte onderzoek op Bali. Toch is het  moeilijk om geen verband te zien tussen het onderzoek in de laatste jaren van zijn militaire loopbaan en het gevoel van miskenning over betuigde „loyaliteit aan het Vaderland”, dat hem vervolgens in zijn „hemd heeft laten staan”.

Overigens kreeg hij al sinds 1942 geen salaris meer betaald en ontving hij geen Indisch pensioen. Kuikenga, die in 1949 met zijn gezin naar Nederland kwam, was al zijn bezittingen in Indië kwijtgeraakt en moest „van een wachtgeld van fl. 156,66 per maand zien rond te komen.”

Defensie riep hem nog twee keer als reserveofficier op, maar bleek hem zonder zijn medeweten tot luitenant te hebben gedegradeerd, waardoor hij dienst weigerde. Op brieven die hij naar Defensie stuurde over zijn behandeling kreeg hij geen reactie, wat hij als „goedwillend Nederlands onderdaan” die „voor zijn land absoluut zijn plichten is nagekomen” als een enorme belediging opvatte. „Dat men mij niet eens een fatsoenlijk antwoord waardig acht, wijst er wellicht op dat mijn verrichtingen in de ogen van de overheid onvoldoende zijn geweest.”

Volgens zijn dochter, Wieneke Stolp, die als baby en peuter op foto’s uit hun Indische jaren is te zien, had haar vader „geestelijk een enorme klap” gekregen. Maar ze is verrast als ze over haar vaders onderzoek op Bali hoort. Daarover zou hij nooit hebben gesproken. Ze twijfelt echter geen seconde aan zijn bevindingen. „Mijn vader was zeer perfectionistisch en plichtsgetrouw”, zegt ze.

De behandeling in Nederland na zoveel trouwe dienstjaren en krijgsgevangenschap was voor hem dan ook onverteerbaar, aldus Stolp. „Het was een kwestie van eer. Als er ooit weer oorlog kwam, wilde hij niets meer doen voor dit land.”