Econoom zoekt lezer van de Nacht van NRC

Een allervriendelijkste meneer tikte mij op de Nacht van NRC afgelopen zaterdag in de wandelgangen op de schouder. Hij las mijn column regelmatig, maar had ik hem nou net tijdens het economendebat op het podium aanbevolen dat nooit meer te doen? „U raadde ons aan even niet naar economen te luisteren. Dus ik moet uw column ook niet meer lezen?” Tja. Goed punt. Ik deed een poging de meneer als lezer te behouden, onder andere door hem een drankje aan te bieden, maar ik zag in zijn ogen dat het misschien niet meer goed zou komen tussen ons. Dus daarom even deze ouderwetse contactadvertentie:

Zeer geachte meneer van de Nacht van NRC,

in het onwaarschijnlijke geval dat u deze column vandaag toch leest, probeer ik uit te leggen wat ik bedoelde.

Mijn redenering achter de opmerking even niet naar economen te luisteren bestaat uit drie delen.

Een. Economen op universiteiten en bij centrale banken zijn in mijn ogen somberder dan ooit. Sinds in 2008 de crisis uitbrak, heb ik het nog niet zo bar meegemaakt. De boodschap lijkt: er is iets structureel mis met de economieën van het Westen, Europa is er helemaal slecht aan toe, en alleen met de allerradicaalste maatregelen valt er nog iets aan te doen. The Economist schreef eind oktober bijvoorbeeld dat de eurozone op weg is naar stagnatie en deflatie. Een periode van deflatie overleeft de eurozone niet, aldus het blad. Dan valt de eurozone uit elkaar.

Twee. Een oorzaak van die somberte zou kunnen zijn dat economen door hun beleidsaanbevelingen heen zijn. In 2008-2009, toen de financiële crisis op zijn hoogtepunt was, hadden economen hun recepten klaar. Centrale banken moesten het omgekeerde doen van wat ze tijdens de crisis in de jaren dertig deden. Dus geld niet schaars maken zoals toen, maar extreem overvloedig. Ben Bernanke, de baas van de Amerikaanse centrale bank, deed precies dat. Maar het omgekeerde bleek niet het gouden medicijn. Het werkte slechts een beetje. Klopte de analyse van de Grote Depressie dus niet, vragen economen zich nu af.

Drie. Er zijn best wat lichtpunten te ontwaren om ons heen. We krabbelen een pietsie op. De kern van ons probleem is een ingestorte huizenmarkt. Die zorgde ervoor dat een miljoen huizen minder waard waren dan de schuld erop. Dat leidde logischerwijs tot zuinigheid: eerst extra aflossen, dan geld uitgeven. Dat drukte de groei. Met die huizenmarkt gaat het nu een tikje beter, de consumptie stijgt licht. Bedrijven investeren meer.

De vlag hoeft niet uit na dit nieuws. De groei van onze economie is fragiel, benadrukte het Centraal Bureau voor de Statistiek vrijdag. U zult van mij niet horen dat de crisis voorbij is. Ook niet dat we niet nog een recessie kunnen krijgen, of een nieuwe eurocrisis of nieuwe zeepbellen die knappen. Als ik de problemen op een rijtje zet, lig ik binnen de kortste keren ook depressief onder mijn dekbed.

Maar de essentie is dit: misschien is het verstandig uw beeld van hoe het economisch gaat, nu meer te baseren op wat u zelf observeert dan op wat economen zeggen. Kijk naar uw portemonnee, de baankansen van uw kinderen, de waarde van uw huis, de investeringszin van uw baas. We stuiteren rond de nul-groei, en dat zou zomaar een tijd zo kunnen blijven. Maar misschien is dat moeizame opkrabbelen een gevolg van de zware financiële crisis (plus eurocrisis) die we achter de rug hebben, en niet van een existentieel westers probleem. Economen weten het ook even niet. En ook al zijn hun analyses zinnig en doet u er goed aan terughoudend door het leven te gaan, ze zijn zo ontzettend somber dat enige scepsis op zijn plaats is.