De vijf grootste problemen van de politie

Illustratie Pepijn Barnard

Kom op, zegt zowat iedereen die betrokken is bij de nieuwe nationale politie. Het is de grootste reorganisatie van een Nederlands ‘bedrijf’ ooit, bij de grootste werkgever van het land. Het zou pas echt raar zijn geweest als alles in één keer goed zou gaan bij de hervorming van de politie tot één nationaal korps.

De 26 oude regiokorpsen zijn begin vorig jaar in één landelijk politiekorps opgegaan. 50.000 politiemensen, 15.000 man ondersteuning. De hervorming is nu volop gaande en is, als de planning uitkomt, afgerond vóór 2018.

De ‘losse’ korpsen hadden allerlei problemen: de ICT werkte slecht, ieder korps ging liefst zijn eigen gang en van ‘regio-overschrijdende criminaliteitsbestrijding’ kwam niet altijd veel terecht. Toch omvat de fundamentele kritiek op de reorganisatie van de politie die de afgelopen weken naar buiten kwam, méér dan alleen de oude problemen bij elkaar opgeteld.

Komende maandag verantwoordt minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) zich in de Tweede Kamer over de politiebegroting van volgend jaar. Dat zal vooral gaan over de complicaties bij de reorganisatie nú bij de nationale politie. Dit zijn de vijf kernproblemen.

1Gebrek aan inzicht

Eerst het goede nieuws: de criminaliteit in Nederland daalt, al jaren. Alleen weet niemand of de criminaliteit daalt dankzij of ondanks het werk van de politie. Die conclusie trok de Algemene Rekenkamer afgelopen week in een waarschuwingsbrief in de volgende woorden: „De koppeling tussen beleid, middelen en prestaties ontbreekt.” De overheid besteedt jaarlijks 5,2 miljard euro aan de politie. Maar in de begroting is bijvoorbeeld niet terug te vinden hoeveel geld precies naar de basisteams of naar de recherche gaat.

De Tweede Kamer kan ook niet controleren, schrijft de Algemene Rekenkamer, „in hoeverre de landelijke beleidsdoelstellingen voor de politie beslag leggen op de beschikbare middelen”. Daardoor is ook niet duidelijk hoeveel mensen en geld de politie overhoudt om regionale en lokale afspraken na te komen – denk aan het tegengaan van overlast van jeugd in buurten of het begeleiden van evenementen.

Van de 105 miljoen euro die de politie in het regeerakkoord van VVD en PvdA erbij heeft gekregen, maakt Opstelten volgens de Rekenkamer niet helder hoe hij dat bedrag dan inzet voor meer blauw op straat en een sterkere recherche. Dat ligt gevoelig binnen zijn eigen VVD. Heb je voor je profiel als dé veiligheidspartij extra geld voor de politie bedongen, blijft vervolgens onduidelijk of dat wel werkelijk ten goede komt aan criminaliteitsbestrijding.

2 Alles grijpt in elkaar

Een van de onafhankelijk toezichthouders op de reorganisatie verwoordde het zo: de hervorming van de politie is te vergelijken met het al rijdende vervangen van de motor en banden van een auto. Die tegelijk ook nog op snelheid moet blijven én richting moet houden.

De ‘robuuste basisteams’ en de districtrechercheteams moeten per 1 januari aanstaande gaan werken. De basisteams zijn groter dan de teams van nu en bestaan uit 60 tot 200 voltijdbanen. De wijkagenten vormen de kern van deze basisteams. Detail: in drie van de tien regio’s is nog een substantieel tekort aan mensen.

Hun bazen, de teamchefs, zijn nog niet allemaal benoemd. Bij ongeveer 75 teams – basisteams maar ook in de ondersteuning – moet dat nog gebeuren. Die werken straks met leidinggevenden die niet gesolliciteerd hebben of zijn afgewezen voor die baan. „Aandachtspunt”, is dus volgens de Inspectie, „dat deze teamchefs toch voldoende gemotiveerd moeten zijn voor het in werking brengen van de teams vanaf 1 januari 2015”.

Oh ja: ondertussen wil de politie óók per 1 januari meerdere nieuwe systemen voor alle personeelsgegevens in gebruik nemen. Dat moet, want de nieuwe basisteams gaan immers ook op die datum beginnen en dus moet alle personeelsregistratie dan kloppen. Denk aan reiskosten, declaraties, overuren, roosters, dat soort zaken. De test voor die keten aan systemen – het zijn er vier – zou in oktober gebeuren, maar staat nu gepland voor half december. Mocht bij die test blijken dat niet alles goed werkt, dan heeft de ICT-afdeling nog twee weken de tijd om alles voor de eerste januari rond te breien. De feestdagen meegerekend.

Tegelijk moet ook de huisvesting opnieuw geregeld worden. Welke bureaus blijven en welke gaan er dicht? En de ondersteunende diensten, zoals personeelsbeleid, communicatie, ICT en inkoop, moeten op den duur gecentraliseerd worden. Dat al die ondersteuning in één hand komt, was juist één van de grote voordelen van de nationale politie.

Probleem is volgens de toezichthouders dat de korpsleiding over al die losse processen het overzicht mist. Ieder doet ‘zijn’ eilandje, maar de „integraliteit” zoals de toezichthouders dat noemen, ontbreekt: Het zicht op wat al is gebeurd, wat nog moet en wat éérst moet, is verloren. Korpschef Gerard Bouman zegt dat deze conclusie hem niet verbaast: ze werken eraan. Opstelten heeft aangekondigd dat één lid in de korpsleiding verantwoordelijk moet worden voor de „integraliteit”. Diegene krijgt er een ‘zware’ programmadirecteur bij als hulp.

3 Doelstellingen die elkaar in de weg zitten

Ondertussen werken de ‘gewone’ politieagenten gewoon door. Zij zijn loyaal, in principe gemotiveerd en hebben het nu eenmaal in zich om „waakzaam en dienstbaar” te zijn, het motto van de politie.

Voor hen gaat wel een perverse prikkel uit van de doelen die ze krijgen opgelegd en vooral de zware controle daarop. Vanuit de korpsleiding lag bijvoorbeeld nogal veel nadruk op het terugbellen van mensen die aangifte van woninginbraken hebben gedaan. Dat móést in 2014 binnen veertien dagen gebeuren bij alle aangiftes. Tot op detailniveau wordt de eenheidschefs naar dit soort prestaties gevraagd.

Inderdaad is het effect van zo’n doel dat méér mensen worden teruggebeld, constateert de inspectie. Alleen bij te veel sturing op registratie blijken agenten het nut er niet meer van in te zien. De registratie raakt dan losgekoppeld van de daadwerkelijke uitvoering. Oftewel: agenten zetten meteen een vinkje dat ze degene die aangifte heeft gedaan hebben teruggebeld, zonder dat werkelijk te hebben gedaan. De inspectie: „Dat stelt ook de positieve cijfers hierover in een ander daglicht.”

Laat die targets alsjeblieft los, zegt Bob Hoogenboom dan ook. Hij is hoogleraar politie- en veiligheidstudies aan de Vrije Universiteit. „Het gaat nu toch relatief goed met de criminaliteit. Kies eieren voor je geld, focus op wat écht nu moet gebeuren.”

Opstelten zou een voorbeeld kunnen nemen aan staatssecretaris van Financiën Wiebes, zegt hij, die het bij zijn aantreden opnam voor de Belastingdienst en zei dat die er gewoon niet méér taken bij kon hebben. „Stel orde op zaken in de bedrijfsvoering. Regel de ICT, organiseer de inkoop van wagens en de politie-uitrustingen nu eens goed. Zorg dat agenten en rechercheurs hun werk kunnen doen.”

4 Afspraken die in de weg zitten

Het was een heerlijke politieke belofte: in 2012 zegde minister Opstelten toe dat tijdens de reorganisatie géén gedwongen ontslagen zouden vallen. Met allen onbedoelde gevolgen van dien. De politie is nog altijd overbezet. Op papier ‘mag’ de politie 49.500 formatieplaatsen hebben, maar dat zijn er nu 2.000 meer. Wie niet ontslagen wordt, blijft zitten waar hij zit, en dat kost geld: 31 miljoen euro in 2015.

Wegens die overbezetting is de politie voorzichtig met mensen aannemen. Het gevolg: de politie heeft niet de juiste mensen aangetrokken om zo’n complexe grote reorganisatie in goede banen te leiden. De 300 man staf die voor de korpsleiding in Den Haag werkt, komt bijna allemaal van een van de regionale korpsen. Dat zijn mensen die helemaal niet gewend zijn om klussen van nationale omvang te doen.

De aarzeling om vaardige mensen van buiten te halen, zit hoe dan ook al ingebakken in de politieorganisatie, zegt Bob Hoogenboom. „Binnen de politie bestaat toch een beetje een macho monocultuur. Er is weinig uitwisseling met de wetenschap of het bedrijfsleven.” Terwijl voor zo’n reorganisatie juist wel een bepaald soort kennis nodig is. „Denk aan ervaren managers die op hoofdlijnen sturen bij grote multinationals. Denk Shell, Philips.”

Nog zo’n politieke garantie die verstandig beleid bij de politie nu in de weg staat: Opstelten heeft over de huisvesting toegezegd dat vóór 2016 geen politiebureau zijn deuren zal sluiten. Maar afstoten van vastgoed is ook een goede manier om te bezuinigen, dat moet de politie ondertussen ook nog: in 2019 moet de organisatie 260 miljoen euro minder uitgeven. Door deze politieke belofte kan de politie nu niet vrij kijken of ergens bureaus zonder problemen dicht zouden kunnen. Alleen overtollige panden zonder publieksfunctie kunnen worden „afgestoten om de achterstand in de planning in te lopen”.

De huisvesting wordt ná 2016 toch nog een verhaal apart, als er wel bureaus dicht mogen. Opschaling is een expliciet doel van de nationale politie: hoe minder gebouwen in beheer, hoe efficiënter, is de logische gedachte. Uiteindelijk komen er 168 teambureaus, voor elk basisteam één. Niet elke gemeente heeft straks nog een eigen politiebureau waar burgers kunnen binnenwandelen. Veel gemeenten zullen het met een ‘steunpunt’ op bijvoorbeeld het gemeentehuis moeten doen. Daar zijn maximaal twee werkplekken en geldt een inloopspreekuur.

5 ICT, altijd de ICT

Al in september 2011 kwam minister Opstelten met een eerste plan om de informatievoorziening van de politie beter te regelen. Er zouden gebruiksvriendelijke computerprogramma’s komen die niet uitvallen. Dat plan is sindsdien twee keer aangepast omdat zijn doelen te ambitieus waren. En dit jaar is de planning nóg eens aangepast: omdat op 1 januari dus die personeelssystemen móeten werken, gaat daar nu alle aandacht heen.

De schatting van betrokkenen is dat een kwart tot een derde van die plannen is gelukt. Met zekerheid is dat niet te zeggen, want er zijn ook dingen gebeurd die niet op de planning stonden en dingen weer uitgesteld die wél op de planning stonden. Het aantal verstoringen in de systemen is bijvoorbeeld zeker verminderd. Maar het informatiesysteem dat ervoor moet zorgen dat het Centraal Justitieel Incassobureau en de politie beter samenwerken om te zorgen dat mensen hun boete of straf niet ontlopen, wordt een jaar uitgesteld.

De ICT-toezichthouder prijst in een brief de „actiegerichte cultuur die de politie eigen is”. Toch zijn er „stagnaties en vertragingen” en ziet de toezichthouder „beperkte samenhang” tussen wat er op de werkvloer gebeurt en hoe de ICT-afdeling daarop zijn plannen baseert. Omdat politiemensen vooral snelle doeners zijn en niet zo graag administreren, ontbreekt „de mijlpalenplanning” en dus een overzicht over de voortgang.

Hoe moet het verder?

Alle betrokken partijen – zelfs de boze vakbonden die roepen dat ze het vertrouwen in het proces zijn verloren – vinden nog steeds dat de hervorming van de politie moet doorgaan. Onder het motto: laten we nu doorzetten, dan zien we wel wat we nog tegenkomen aan problemen.

De politiek moet nu eens realiteitszin tonen, zeggen betrokkenen binnen de politie. De Tweede Kamerleden die maandag met Opstelten debatteren, hebben vorige week een oproep gekregen om zich alsjeblieft in te houden. Vraag de minister niet nóg veertien prioriteiten aan de toch al onuitputtelijke lijst toe te voegen. Dat kan de politie gewoon niet aan. Nu merken burgers nog weinig van die interne reorganisatie, maar als die een rommeltje blijft, is de angst, zal de maatschappij er mogelijk wel onveiliger op worden.

Niemands politieke naam is ondertussen meer aan dit project verbonden dan die van minister Ivo Opstelten. Toegeven dat de hervorming helemaal niet volgens plan verloopt, zal hem zwaar vallen. Toch zal de Tweede Kamer – inclusief de VVD – komende maandag méér dan geruststellende woorden proberen los te krijgen.

Binnen de politie bestaat de indruk dat Opstelten niet echt wil horen hoe groot de problemen zijn. Er wordt druk gerekend of het wel haalbaar is om de reorganisatiekosten op 230 miljoen euro te houden – er zou zo’n 170 miljoen euro extra nodig zijn, onder meer voor toegenomen reiskosten voor werknemers. Als dat soort bedragen de komende jaren waarheid blijken, kan de minister weinig anders meer doen dan toegeven.