De burger mag zelf bepalen wanneer lijden ondraaglijk is

Tot hoever mag een arts meegaan in de wens van de burger die met euthanasie zijn leven wil beëindigen? Deze pertinente vraag stelde de ethicus Theo Boer, ex-lid van een van de vijf Regionale Toetsingscommissies Euthanasie, onlangs in een aantal media. Of meer principieel: is er een grens aan zelfbeschikking?

Boer ziet het aantal vrijwillige sterfgevallen door euthanasie groeien. Hij meent dat artsen steeds eerder toestemmen en toetsingscommissies ruimhartiger worden. De belangrijkste kwestie is volgens hem het almaar subjectiever ingevulde begrip ‘ondraaglijk’, dat bij de eis uitzichtloos lijden hoort.

Is ‘ondraaglijk’ ook van toepassing op bejaarde burgers met niet- terminale ziekten die enorm opzien tegen nóg langer leven? Of op diegenen die niet zonder hun (terminale) partner verder willen en ‘duo-euthanasie’ vragen? Die het vooruitzicht van verdere aftakeling en opname in een verpleeghuis niet aankunnen? Het antwoord blijkt vrij vaak ja.

Artsen toetsen die gevallen behalve aan de wettelijke criteria ‘ uitzichtloos en ondraaglijk lijden’ ook aan de vraag of het verzoek vrijwillig en weloverwogen is gedaan. Of er zekerheid is over diagnose & prognose en of een alternatief ontbreekt. Als ten minste twee artsen dat vinden, dan wordt zo’n leven actief beëindigd. Eéndérde van alle toegelaten euthanasieverzoeken in 2013 kwam van medeburgers die het leven niet meer zagen zitten en het wilden bekorten, soms met jaren.

Boer heeft gewetensproblemen met dit „euthanasie als recht”, zo zei hij. En ook met de rol waarin de arts dan terechtkomt. Die van dienstverlener die de burger komt verlossen. Euthanasie lijkt hem steeds verder losgezongen van een medische conditie en steeds meer een sociaal-maatschappelijke optie te worden. Euthanasie kan zo inderdaad makkelijk een gedragsnorm worden. Een onuitgesproken verwachting dat het ‘wel mooi is geweest’ en dat het voor hoogbejaarden (nu? straks?) tijd wordt om écht afscheid te nemen. Dat zou behalve onwenselijk en onbeschaafd ook bedreigend kunnen zijn.

Boer stelt dus terechte vragen. Is het zelfbeschikkingsrecht van de een tegelijk een plicht voor de ander om dat uit te voeren? Hij stelt onze veranderende omgang met de dood aan de orde, als gevolg van maatschappelijke en culturele oorzaken. Dat is te prijzen. Als de angst voor het verpleeghuis inderdaad zo groot is, is makkelijker toegang tot euthanasie dan een oplossing? Of moeten we dan juist de verpleeghuizen aangenamer maken? Allebei kan natuurlijk ook. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten.

Of is de vraag naar de omvang van het recht op zelfbeschikking principieel onjuist, want bevoogdend. Je zou ook kunnen zeggen dat de wens van de burger principieel maatgevend is. Dat zou ultimo de min of meer vrije beschikbaarheid van een dodelijk middel inhouden en minder medische bemoeienis met euthanasie. Samengevat: de Zwitserse praktijk, waar het georganiseerde levenseinde op eigen verzoek in lekenhanden is.

Boer beschouwt de huidige praktijk als een „afglijden” van de wet die volgens hem bedoeld was voor lijden met een duidelijke medische grondslag. Hij vond eerder de psychiater Boudewijn Chabot aan zijn zijde. Ook die noemde de praktijk ontspoord, met als aanleiding de euthanasiecasus van ‘de man die altijd werkte’. Deze persoon belandde na zijn pensionering in een uitzichtloos leeg bestaan en mocht ten slotte zijn ondraaglijke leven medisch laten beëindigen. Overigens is de medische stand heel spaarzaam met deze validering. Slechts 9 van de 285 psychiatrische patiënten die vorig jaar om euthanasie vroegen, kregen het ook. Intussen wordt verwacht dat het aantal burgers dat geen duidelijk medisch classificeerbare grondslag heeft, zal groeien. Nu zou het nog gaan om enige tientallen met een actieve doodswens. Maar dat worden er meer. Moeten ook zij een vrijwillig levenseinde krijgen?

Wie in vrijheid heeft kunnen leven, vraagt nu dus de vrijheid om in eigen regie te kunnen sterven. Dat is, alles afwegende, begrijpelijk en leidt bij deze krant niet tot gewetensproblemen. Wat ondraaglijk is en uitzichtloos, is uiteindelijk een subjectief oordeel. Daarin mag de ervaring van de patiënt het zwaarst wegen.