Darmwormen teisterden middeleeuwer

In een middeleeuwse begraafplaats in het Belgische Nijvel zijn drie verrassend goed bewaarde lichamen teruggevonden, uit de elfde en twaalfde eeuw. Uit gefossiliseerde poep (coprolieten) die in de kisten werd gevonden, blijkt dat deze mensen enorm geteisterd werden door darmparasieten die nu nauwelijks nog bij mensen voorkomen: de 15 tot 35 centimeter lange spoelworm en de 3 tot 5 cm lange zweepworm. Bij het individu uit graf 122 werden zelfs de meeste parasieteneitjes in een opgraving ooit gevonden: bijna 300.000 per gram poep (Journal of Archaeological Science, online 6 november).

In dit graf was een oudere vrouw zonder tanden begraven. Op de plek van haar onderbuik werden 8 gefossiliseerde drollen gevonden, tussen 1 en 12 gram zwaar: uitzonderlijk zwaar en talrijk. Dit leidde hoogst waarschijnlijk tot dodelijke verstopping, aldus het internationale team van archeologen en antropologen dat de lichamen onderzocht. Deze stroeve obstructieve poepballen (‘bezoars’) zijn waarschijnlijk ontstaan door de grote hoeveelheid parasieten in combinatie met het zeer vezelrijke dieet van toen.

Wegens – in de woorden van de onderzoekers – de ‘ongeremde smerigheid’ van de Middeleeuwen was vooral de spoelworm algemeen in die periode. Maar ook de zweepworm kwam veel voor, blijkt uit eerdere onderzoeken. Die epidemie werd mede veroorzaakt door het gebruik van menselijke uitwerpselen als mest op de velden. Dat leidde tot permanente herbesmetting, ook al omdat de middeleeuwers vrijwel iedere hygiëne meden, vooral in de lagere klassen. Die wisselden nauwelijks van kleding en wasten nooit hun handen, groente of fruit. Water werd zelfs gezien als schadelijk voor het lichaam, schrijven de onderzoekers bijna verontwaardigd.