Brede basis slaat plat

Aan de Universiteit van Amsterdam zouden vakken als geschiedenis en Duits moeten verdwijnen als aparte bachelor-studies. Medewerkers slaan alarm. „Wij laten ons niet verramsjen.”

Wie zich wil bekwamen in chirurgie, of een juridisch pleidooi wil afsteken in de rechtszaal, moet daar 10.000 uur voor oefenen. Deze oude vuistregel gaat ook op voor dat andere academische vakmanschap, op het gebied van de Geesteswetenschappen. Wij leren onze studenten een vak, als historicus of germanist of filosoof, en de basis daarvoor leggen zij in die 10.000 uur. Na een bachelor van drie jaar en een master van één à twee jaar hebben ze maximaal een kleine 8.500 uur afgelegd. Als ze daarnaast af en toe nog eens een boek lezen, of een museum bezoeken, kunnen ze zich met recht ‘academisch vakman of vakvrouw’ noemen.

Beginnersniveau

Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam wil daar een einde aan maken. Onder het voorwendsel van bezuinigingen wil dit college de traditionele vakken aan de Faculteit Geesteswetenschappen afschaffen en vervangen door een ‘brede bachelor’. Daarin zullen de grenzen tussen de vakken verdwijnen en de studenten drie jaar lang met allerhande thema’s worden geconfronteerd. Het resultaat daarvan zal desastreus zijn. Noodzakelijkerwijs zullen al die vakken en vakjes op beginnersniveau worden aangeboden en zal de nadruk komen te liggen op basale kennis, vaardigheden – of erger – vage en ongrijpbare competenties.

Het merkwaardige aan de roep om een brede bachelor is dat je die wél hoort weerklinken wanneer het om de geesteswetenschappen gaat, maar nooit wanneer het om medicijnen of rechten gaat. Wat zouden we vinden van artsen die een brede bachelor hebben gehad, met onder meer een semester diergeneeskunde (immers een verwante discipline)? Wij denken dat onze voorzitster van het College van Bestuur dan toch liever maar een wat minder breed opgeleide arts zal consulteren.

Het plan van het college getuigt niet alleen van minachting voor de ruim 1.500 medewerkers en de duizenden studenten maar ook van kortzichtigheid over de toekomst van Nederland als kenniseconomie. Zonder academisch vakmanschap in de geesteswetenschappen staan we binnenkort – letterlijk – met de mond vol tanden. Want wie beheerst er dan nog voldoende Duits om met onze belangrijkste handelspartner te communiceren? Wie spreekt er nog voldoende Arabisch of Turks om een inschatting te kunnen maken van radicalisme? Wie zorgt ervoor dat kasmagneten als het Van Gogh- en Rijksmuseum nog over aantrekkelijke tentoonstellingen beschikken? Iedereen heeft de mond vol over de Verlichting en de politieke betekenis daarvan, maar weet over tien jaar nog wel iemand wat de Verlichting eigenlijk was? Een democratie leeft van een gezonde en vrije pers, maar zonder historisch besef zijn journalisten machteloos. En zo kunnen we nog even doorgaan, maar we denken dat het wel duidelijk is.

Provincialistische bewondering

Het centrale argument dat de brede bachelor ook in Amerika een bekend fenomeen is, getuigt eerder van provincialistische bewondering dan van een gedegen kennis van het Amerikaanse onderwijssysteem. Collega’s die in dit systeem zijn groot geworden hebben dit argument inmiddels afdoende weerlegd. De Amerikaanse universiteiten hebben een vierjarige bachelor en daarna volgen uiterst specialistische masters, waarbij een groot deel van de studenten aansluitend een promotie afrondt. Wij hebben slechts vier tot vijf jaar om onze vaklui af te leveren en zullen moeten woekeren met onze tijd.

Deze slecht doordachte plannen stemmen tot diepe treurigheid. Natuurlijk kan er altijd efficiënter gewerkt worden. Het college geeft het goede voorbeeld door zich in fraaie limousines te verplaatsen. Maar efficiëntie is iets anders dan de invoering van een derderangs kopie van een systeem uit een andere cultuur. Efficiëntie is: in overleg met de betrokkenen zoeken naar een oplossing. Efficiëntie is niet: de bijl leggen aan de wortels van een intellectueel en pedagogisch kerngezonde faculteit.

Wij, docenten aan de Faculteit Geesteswetenschappen, zijn meer dan bereid mee te denken over vorm en inhoud van een gezonde faculteit – ook in de huidige, lastige, financiële situatie. Wij zijn echter niet bereid ons intellectueel en pedagogisch te laten verramsjen.